Succesvolle projecten…

Regelmatig hoor je in het nieuws over falende ICT-projecten. Vooral de overheid kan er wat van, maar ook banken, verzekeringsmaatschappijen, zorg en industrie hebben er mee te maken. Naar schatting gaat met twee derde van alle projecten iets mis, zoals deadlines of de resultaten die niet worden gehaald, of nog erger: het project wordt stopgezet. Ik vroeg me af hoe vaak dat gebeurt bij continu verbeterprojecten?

Resultaten beklijven niet
Als consultant doe je er, denk ik, alles aan om te voorkomen dat je verbeterprojecten niet volledig worden afgerond. Je zorgt ervoor dat het probleem goed wordt geanalyseerd, dat de oplossingen worden ingevoerd en dat wordt geëvalueerd hoe succesvol dat was. Tenslotte probeer je te zorgen dat de resultaten worden gestandaardiseerd en geborgd, hoewel dat laatste natuurlijk ook voor een groot deel afhankelijk is van hoe de organisatie waar je je opdracht doet, daarmee omgaat. Het niet volledig afmaken van een verbeterproject ben ik daarom niet vaak tegen gekomen, maar helaas zie ik wel vaak dat het resultaat niet beklijft.

Minder animo
Zo begeleidde ik een verbeterteam in de levensmiddelenindustrie dat de output van de menginstallatie met vijftien procent moest verbeteren. Het was een heel gedreven team dat het probleem met open blik tegemoet trad en in staat bleek om, via aangepaste werkwijzen en dus met minimale investeringen, te komen tot de gevraagde outputverhoging. Hoewel de werkwijzen betekenden dat het proces strakker moest worden georganiseerd en er dus enige weerstand te verwachten was, verliep de implementatie voorspoedig. Daardoor was niet alleen op papier, maar ook in de realiteit sprake van de gevraagde outputstijging. Ongeveer twee jaar later werkte ik als interimmanager bij hetzelfde bedrijf en was de mengafdeling een van mijn verantwoordelijkheden. Zodoende kwam ik erachter dat de werkwijzen niet meer werden gehanteerd. De gevraagde capaciteit was lager en er was duidelijk minder animo om de strakkere organisatie vast te houden…

Hoe vaak worden projecten afgerond?
Hoewel ik als consultant niet vaak tegenkwam dat een verbeterproject niet werd afgerond, vroeg ik me af in welke mate dat wel gebeurt. Toen ik een paar jaar geleden begon als lector bij Avans Hogeschool, was dat een van de vragen waarop ik antwoord wilde krijgen. Daarnaast wilde ik graag weten waardoor dat wordt veroorzaakt. In meerdere bijeenkomsten vroeg ik bijvoorbeeld aan de deelnemers, veelal direct betrokken bij het continu verbeteren in hun organisatie: “Bij hoeveel procent van de verbeterprojecten in uw organisatie wordt de volledige verbetercirkel goed doorlopen (dus bijvoorbeeld. D, M, A, I en C (Define, Measure, Analyze, Improve en Control))?”. De deelnemers konden dan hun schatting aangeven in een aantal klassen, zoals minder dan een derde, ongeveer de helft, enzovoort. Uit deze schattingen kwam naar voren dat grofweg maar één op de drie verbeterprojecten volledig wordt afgerond. Maar in één op de drie projecten vindt dus, naast analyse van het probleem, ook implementatie en borging plaats!

Waarom worden oplossingen niet geïmplementeerd?
Voor het symposium Continu Verbeteren, dat afgelopen januari weer samen met de minor Continu Verbeteren werd georganiseerd, onderzochten we wat de redenen zijn waarom oplossingen van verbeterprojecten niet worden geïmplementeerd. Hoewel onze steekproef niet groot genoeg was om echt betrouwbare antwoorden te geven, springen twee redenen eruit. Ten eerste lijkt de oplossing vaak te maken te hebben met een gedragsverandering, die de invoering te moeilijk maakt. Ten tweede wordt aangegeven dat vaak sprake is van te weinig draagvlak voor het implementeren van de oplossing. Dit punt lijkt aan te sluiten bij twee andere redenen die vaak werden genoemd, namelijk dat de implementatie niet plaatsvindt omdat enkele personen in de organisatie er tegen zijn en dat de oplossing wel goed wordt gevonden, maar geen prioriteit krijgt. Interessant is dus om te achterhalen hoe je succesvol draagvlak creëert. In de Linkedin-groep Nederland Verbetert is hierover inmiddels een discussie gestart.

Ton van Kollenburg
Lector Improving Business

Inspelen op de toekomst – Hijmanslezing

20180129 Robert Went op Hijmanslezing 22 jan 2018 IvK

Op maandag 22 januari jl. vond de jaarlijkse Ernst Hijmanslezing plaats. Deze lezing, genoemd naar een van de grondleggers van het organisatie-advieswerk in Nederland, is een initiatief van de Ooa, de Orde van organisatiekundigen en –adviseurs. Dit keer werd de lezing uitgesproken door Robert Went (WRR) en John Blankendaal (Brainport Industries). Centraal in hun beider lezing stonden de veranderingen in werk en samenwerking tussen bedrijven door digitale technologie. Gezien mijn PhD-onderwerp ‘Digitale technologie en de arbeidsmarkt van kwetsbare groepen’, dank ik Tonnie van der Zouwen heel hartelijk dat ik haar introducée mocht zijn.

Het belangrijkste inzicht voor mij uit de lezing van Went is dat technologie aangrijpt op taakniveau: niet banen komen en gaan, maar taken. Het betekent ook dat een nieuwe functie (of ‘rol’ zo je wilt), vanuit zowel blijvende als nieuwe taken bij elkaar gepuzzeld kan worden. Een robot heeft het lassen van mij overgenomen en we werken samen (cocreatie door mens en robot). Prima, dan bekwaam ik mijzelf in basis-elektrotechniek en IT en dan neem ik het periodieke onderhoud erbij want daarvoor heb ik nu tijd gekregen. Zo blijf ik aan het werk terwijl werk verandert.
Maar wanneer je niet oplet en erop inspeelt, als ondernemer of als medewerker, dan verdwijnen teveel taken onder je vandaan en sta je in de nabije toekomst aan de kant. Want wie kent deze taken nog: ponskaarten typen, benzine tanken voor een klant, in steno verslagleggen, per stuk goederen lossen?

John Blankendaal onderstreepte in zijn verhaal het belang van digitale technologie in het concept ‘Smart Industries’ waar Brainport ook aan werkt. Zoals ik eerder in mijn onderzoek voor AgriFood Capital Werkt heb geconstateerd, biedt technologie de mogelijkheid om meer samenwerking uit de keten (tussen organisaties) te halen (schakels overslaan, proces versnellen of een nieuwe schakel invoegen). Blankendaal noemde dat “van klassiek uitbesteden naar ondernemend samenwerken.” Dit zal veel impact hebben op bestaande samenwerkingen tussen mkb-bedrijven onderling én de positie van het kleine bedrijf in de keten met grote organisaties indien er niet voldoende wordt aangesloten.

Zijn we klaar om in te spelen op de toekomst? Ik betwijfel sterk of respectievelijk alle werkenden en (kleine) mkb-bedrijven de noodzaak daarvoor nu voldoende inzien.

Ineke van Kruining
Docent onderzoeker lectoraat Sustainable Working and Organising

De video opname van de Ernst Hijmanslezing staat online zie
https://www.youtube.com/watch?v=srjfssit4uA&feature=youtu.be

Koester de verschillen

Op 31 oktober dit jaar hield Avans Hogeschool een career event. Niets bijzonders, dat doet Avans wel vaker en deze keer was het voor de studenten uit het economisch domein. Zij konden speeddaten met 120 bedrijven voor een stageplaats of afstudeeropdracht. Ter aankondiging van dit event hingen in Breda en Den Bosch posters. In eerste instantie was er niets vreemds met de posters. Op de ene poster figureerde een keurige jonge man met blond haar en op de andere poster een keurige jonge man met zwart haar en een baardje. Maar nergens zag ik een poster met een vrouwelijke variant van deze twee heren.

Ik dacht eerst dat ik de posters met vrouwen niet zag omdat ik niet in de juiste gangen of ruimtes liep. Avans heeft natuurlijk heel veel locaties die ook nog veel vierkante meters beslaan. Maar na een paar weken begon ik toch argwaan te krijgen: zou de communicatie-afdeling van Avans nu echt zo’n domme fout hebben gemaakt om geen posters met vrouwelijke studenten te maken.
Bij navraag bleek het antwoord op deze vraag bevestigend te kunnen worden beantwoord. Oeps, niet aan gedacht. Er waren geen posters met vrouwelijke studenten voor de career event voor economie gemaakt. ‘We zullen er volgend jaar aan denken.’

Ik heb helaas niet kunnen achterhalen of er jaarlijks een career event wordt georganiseerd voor het sociale en zorgdomein. Mijn vooroordeel is dat bij de posters daar geen vrouwelijke studenten gemist zouden worden. Het is een aanname, ik heb het niet onderzocht. Mijn aanname is gebaseerd op onderzoeken en artikelen die we regelmatig in tijdschriften en kranten voorbij zien komen. We worden door de media te vaak in ons vooroordeel over de verschillende rollen die mannen en vrouwen zouden moeten spelen bevestigd: de man is de jager en de vrouw is de verzamelaar. De man gaat naar buiten, heeft een carrière en de vrouw blijft binnen en zorgt voor het huis en de kinderen.

Hoe dit gedachtegoed ontstaan is, we weten het niet. Er is in ieder geval geen biologische verklaring voor, zo blijkt uit twee boeken die ik onlangs gelezen heb. Het ene boek is van een man, Yuval Noah Harari. Het heet ‘Sapiens’ en heeft in het Nederlands de ondertitel ‘een kleine geschiedenis van de mensheid’. http://www.debezigebij.nl/boeken/sapiens-2/. Een heel interessant boek omdat hij laat zien dat een heleboel zaken die wij toeschrijven aan ons reptielenbrein of onze evolutionaire oorsprong, puur culturele afspraken zijn. Een van die zaken is dus het hardnekkige idee dat mannen en vrouwen heel anders zijn omdat dat biologisch zo is.
Steeds meer onderzoek toont aan dat de onderzoeken die juist de sekseverschillen zo benadrukken niet kloppen. Dat vooroordelen van de meestal manlijke onderzoeker het onderzoek heeft beïnvloed. Wetenschappers zijn ook maar mensen en nemen hun eigen meningen mee in hun onderzoek.

Het tweede boek dat ik las dat de vooroordelen over mannen en vrouwen onder de loep nam, is van Angela Saini. Zij publiceerde dit jaar ‘Inferior: How Science Got Women Wrong and the New Research That’s Rewriting the Story’. http://www.angelasaini.co.uk/books
Beide boeken zijn ook heel interessant voor de discussie over hoe onafhankelijk kan onderzoek zijn en hoe we moeten uitkijken dat we afwijkingen niet gaan zien als gemiddelden. Bijvoorbeeld het verschil in lengten. Als we kijken naar de standaarddeviatie, dan is ‘de man’ maar 4 centimeter groter dan ‘de vrouw’. Sanne Blauw, een van de redacteuren van De Correspondent, legt het begrijpelijk uit in haar column over de recensie van het boek van Angela Saini. https://decorrespondent.nl/7171/wat-je-moet-onthouden-over-de-verschillen-tussen-mannen-en-vrouwen/1952448550063-fd37f77d.

Kortom, we zijn allemaal verschillend als mens vanwege onze ervaringen, opvoeding en karakter. We komen er steeds meer achter dat ons fysieke voorkomen ook niet voor iedereen past bij hoe hij of zij zich voelt. Reden te meer om niet meer in stereotypen te denken en handelen. Om Harari aan te halen: de meeste van onze gedragingen zijn cultureel bepaald en niet door de biologie. Dat betekent dat we eigenschappen en gedragingen waardoor andere mensen gedwongen worden een tweederangs burger te zijn of zich in ieder geval te voelen, kunnen veranderen. Hoe dat zou moeten, is inspiratie voor een mooie reflectie voor onder de kerstboom.

Fijne dagen en een gelukkig 2018 gewenst.

Marleen Janssen Groesbeek

Hoe kies jij een partner?

In de literatuur wordt veelal benadrukt dat het samenwerken met andere organisaties cruciaal is voor het voortbestaan van de eigen organisatie. Als “alleenstaande” wordt het steeds lastiger om een product of dienst te vermarkten, zo niet onmogelijk. Je hebt partners nodig zodat je kunt samenwerken in allianties en netwerken. Maar hoe bepaal je wat voor jou de goede partner is? Op basis waarvan besluit je met een andere organisatie een relatie aan te gaan? Hoe kies jij eigenlijk een partner?

Dit is nou typisch een vraag waarop je het antwoord niet in een boek kunt vinden. Er bestaat geen checklist op basis waarvan je exact weet aan welke criteria jouw nieuwe partner moet voldoen en op basis waarvan je vervolgens gegarandeerd de juiste keuze maakt. Natuurlijk, er zijn harde criteria die bepalen of een gewenste relatie überhaupt legaal is. Kartelvorming is echt nog steeds verboden. Maar we willen in feite vooral een goed gevoel hebben bij een mogelijk nieuwe partner, nietwaar. We moeten stoppen met vinklijstjes en we moeten gaan ervaren, gewoon gaan doen. En wat is dan beter geschikt dan een game met speeddates?

Tijdens de Alliance Game gaan tweedejaars HRM-studenten van AAFM daadwerkelijk daten. Op een gesimuleerde handelsbeurs gaan zij op zoek naar een bedrijf dat hen als startende onderneming kan helpen met buitenlandse groei. Buitenlandse groei op een duurzame manier. De studenten zijn op basis van een vooraf ingevulde persoonlijkheidsvragenlijst ingedeeld in groepen van vier. Aan de hand van een formulier met beoordelingscriteria gaan zij met vertegenwoordigers van bedrijven in gesprek. Op zoek naar een potentiële partner, misschien wel hun ideale partner. En dan blijkt het toch wel prettig, zo’n formulier met aspecten ter beoordeling. Een beetje houvast tijdens het daten is helemaal geen overbodige luxe.

Ik ben op 15 november 2017 als facilitator bij het event aanwezig. Ik zie de tweedejaars studenten wat verbaasd kijken als de vertegenwoordigers van de bedrijven binnenkomen. Het is namelijk duidelijk dat het twee totaal verschillende bedrijven betreft: de mensen in vrijetijdskleding zijn van het familiebedrijf en de strakke pakken vertegenwoordigen de multinational. Na een korte voorbereidingstijd druk ik op de bel als start voor de eerste speeddate-ronde. Voornamelijk aan de hand van de uitgereikte formulieren stellen de studenten hun vragen. Na vijf minuten klinkt de bel en wordt er gewisseld. Halverwege de middag hebben de studenten in totaal 11 speeddates gehad en kunnen zij met elkaar in overleg om hun besluit te nemen. Ik ben benieuwd. Zien zij het familiebedrijf of de multinational als hun ideale toekomstige partner? Hebben de “harde” organisatorische of de “zachte” interpersoonlijke aspecten de bovenhand? In hoeverre speelt hun persoonlijkheid een rol? En op basis waarvan maken zij hun keuze?

De studenten pitchen hun keuze en het blijkt dat 10 van de 11 groepen de voorkeur geven aan samenwerking met het familiebedrijf. Hun keuze wordt onderbouwd met aspecten van het beoordelingsformulier, zoals bijvoorbeeld flexibiliteit, bedrijfscultuur, resultaatgerichtheid, veranderbereidheid en machtsevenwicht. Hoe rationeel sommige aspecten ook worden benaderd, de pitches van de studenten eindigen toch wel erg vaak met “we hebben gewoon het gevoel dat dit beter past bij ons bedrijf, bij waar we nu staan en wat we willen in de toekomst”. Ik luister naar hen en ik realiseer me eens te meer dat ik als docentcoach de plicht heb om meer en meer aandacht te besteden aan “het gevoel”, vooral bij het maken van keuzes. Studenten vinden dat moeilijk. Misschien is het niet makkelijker gezegd dan gedaan, maar makkelijker gezegd dan gevoeld. Of is het makkelijker gevoeld dan gezegd of gedaan? Hoe maak ik eigenlijk mijn keuzes?

Marise Khemissi
Lid kenniskring International Business

Waarom doen banken aan de circulaire economie?

De onderstroom van de circulaire economie kom je tegenwoordig overal tegen: er is een overvloed aan initiatieven, convenanten en Green Deals om de circulaire economie in de praktijk uit te proberen. De bovenstroom krijgt ook vorm, bijvoorbeeld met de Energieagenda en het Rijksbrede programma CE van de Rijksoverheid. Maatschappelijk betrokken partijen en circulaire opportunisten kwamen dan wellicht het eerst, de rest gaat inmiddels gelijk op. Ook de grootbanken laten dus van zich horen. De Rabobank en ABN AMRO hebben zelfs hun positionering en profiel op duurzaamheid geënt. Uiteraard moet ook de circulaire economie gefinancierd worden, maar hoe raken betrokkenheid en zakelijke afwegingen elkaar?

In reclames benadrukken banken hun maatschappelijke betrokkenheid, hun zakelijke ziel en duurzame horizon. Ze hebben natuurlijk ook wel wat goed te maken. Toch toont het vooral zakelijk inzicht. Banken zien hun verdienmodellen veranderen, bijvoorbeeld in de sector bouw en vastgoed. Steeds vaker hoeven gebouwen niet voor 100% gefinancierd te worden omdat de installaties, gevels en dergelijke eigendom van de leveranciers blijven. Die houden de geleverde spullen op hun balans en verdienen aan de services. Zij financieren dat op hun beurt niet met eigen middelen, daar zitten ook weer vermogensverschaffers achter. Het is voor banken dus essentieel om dat te volgen en er hun producten op aan te passen. Ten tweede hebben de banken zakelijke interesse in het financieren van de investeringen die bedrijven moeten doen in het – verplicht – verduurzamen van hun processen en gebouwen. Die interesse komt ook omdat banken een beetje bezorgd zijn of hun bedrijfsklanten al die lasten wel kunnen dragen. Hoeveel kost het immers niet om van een F-label naar een C-label te gaan? Ten derde willen banken leren wat het betekent om niet naar de directe kosten van een investering te kijken, maar naar de life cycle costs. Kun je meer investeren, omdat je durft te stellen dat het gebouw een hogere eindwaarde heeft en het bedrijf lagere onderhouds- en energiekosten? Of dat ook zo uitkomt is niet te bewijzen. Daarom zie je dat banken vaak ook launching customer zijn voor kleinere bedrijfsklanten die hierin iets aan het doen zijn. Financiering geeft dan de scale up die nodig is voor hun innovaties en wellicht wat meer zekerheid over de toekomst.

Kortom, banken bestuderen hoe verschillende vormen van financieren kunnen helpen om verdienmodellen in de circulaire economie een duw te geven. Waarbij ze hun eigen verdienmodel goed voor ogen hebben en hopen hun prominente plek ook in de circulaire economie te kunnen behouden. Want die plek is in tijden van block chains en bitcoins lang niet zo vanzelfsprekend meer.

Han van Son
Associate lector Drijfveren Duurzaam Ondernemen

Plaats niet alleen fysieke en productveiligheid, maar ook sociale veiligheid op de agenda

3 x veiligheid
Hoewel veel bedrijven zeggen dat veiligheid voorop staat en ze daar met posters en trainingen echt aandacht aan proberen te geven, zie ik weinig of geen verbeterteams die daarmee aan de slag zijn. Als dat wel gebeurt, is dat om een ongeval te analyseren en er bij voorkeur voor te zorgen dat het niet meer voorkomt. Maar hoe zit dat met andere vormen van veiligheid. Is daar voldoende aandacht voor?
Een levensmiddelenbedrijf waar ik een aantal jaren geleden werkte, onderscheidde drie vormen van veiligheid: voedselveiligheid, fysieke veiligheid en sociale veiligheid. Voor fysieke veiligheid is vaak wel aandacht: er zijn KPI’s met (bijna) ongevallen, er zijn instanties die je op de vingers tikken zoals de arbeidsinspectie wanneer de (fysieke) veiligheid niet op orde is, en wet- en regelgeving stelt eisen, zoals de machinerichtlijn. Misschien niet altijd met voldoende effect, maar de structuren en systemen zijn er.

Critical control points
Voedselveiligheid – of algemener: productveiligheid – kent ook een aantal van dergelijke maatregelen. Productveiligheid heeft namelijk te maken met het product dat naar de, soms onwetende, klant gaat en betreft die aspecten van het product die de gebruiker kunnen verwonden. In bijvoorbeeld levensmiddelenbedrijven worden dergelijke productrisico’s geanalyseerd en wordt bepaald waar in het productieproces deze kunnen ontstaan en waar het effect ervan moet worden weggenomen. Die laatste punten heten dan critical control points. Denk bijvoorbeeld aan een zeef waar ongerechtigheden moeten worden verwijderd, die met de grondstof zijn meegekomen, zoals onderdelen van de oogstmachine die nog in de aardappelen kunnen zitten of muizen die tussen het graan zijn blijven zitten. Een voorbeeld van een critical control point is ook een metaaldetector die aangeeft of er metaal in een product zit en het betreffende product vervolgens uit de productie haalt of werpt.

Kwaliteit versus risico
Ik ben niet gecharmeerd van deze aanpak. Het stuurt niet op het elimineren van het risico. Bovendien draagt het bij aan een cultuur van goed-is-goed-genoeg. Zo was ik onlangs in een fabriek waar de uitwerpbak bij de metaaldetectie helemaal was afgeschermd en die voor de producten met te veel of te weinig gewicht niet. Ik kan het dan niet nalaten om te vragen waarom dat verschillend is, hoewel ik het antwoord ken: “Het ene is een voedselveiligheidsrisico en het andere niet”. En als ik dan doorvraag: “En dus wil je bij de ene bak voorkomen dat product wordt teruggelegd en bij de andere mag het wel worden teruggelegd?” Dat mag dan natuurlijk ook niet… Een dergelijk onderscheid past niet bij een echt kwaliteitsbedrijf. Dat wil immers echt alle kwaliteitszaken op orde hebben of ze nou wel of geen risico zijn voor de voedselveiligheid!

#Me&You
En dan is er sociale veiligheid. Dat betekent dat iedereen zich veilig voelt en veilig is tegen ongewenst handelen van anderen. Te denken valt natuurlijk aan ernstige vergrijpen zoals verkrachting en aanranding, maar zeker ook aan: agressie, pesten en discriminatie. Niettemin wordt hier de scheidslijn vaak al dun, zoals die donkere medewerker die van zijn collega een soort van compliment kreeg: “Hé Afrikaan, jij spreekt al best goed Nederlands.” Nog lastiger wordt het als we het hebben over geluidsoverlast, zoals de radio op het werk die te hard staat of die collega die nogal de aandacht op zich wil vestigen. En ook is het lastig als we het hebben over ‘graffiti’ op muren, toiletten, informatieborden en machines. Voorbeelden genoeg te bedenken en hier zijn geen KPI’s en maar in beperkte mate wet- en regelgeving of instanties die de aandacht hierop vestigen. Daarom is het goed om niet alleen fysieke en productveiligheid, maar ook sociale veiligheid op de agenda te plaatsen en met elkaar te bespreken. Dus samen bespreken: wat vinden wij wel of niet acceptabel? Dan krijgt een werkoverleg ook nog eens toegevoegde waarde, in plaats van het verplichte klaaguurtje…

Ton van Kollenburg – Lector Improving Business

Menselijk kapitaal moet groeien

Waarom zou ik gaan naar een conferentie met de imponerende titel ‘Interdisciplinary workshop on Intangibles and intellectual capital; Value Creation, Integrated Reporting and Governance’ in Italië? Deze vraag stelde ik me aan het begin van dit schooljaar.
Natuurlijk kost zoiets geld voor de reis en het hotel en levert een belasting op voor het milieu. Daarbij kost het ook tijd en levert stress op. Immers, alle dagelijkse activiteiten zowel thuis als bij Avans moeten worden overgenomen door mijn partner en collega’s. Wat zal zo’n conferentie mij opleveren? Zal mijn eigen human en intellectual capital er van groeien? Kortom een veelheid van vragen.
Ondanks al mijn vragen en twijfel ben ik op pad gegaan. Hieronder een korte terugblik op enkele lezingen en workshops die ik heb gevolgd.

Zoek de verbinding
In de keynote ‘Connecting Information’ door Jan Mouritsen van de Copenhagen Business School werd duidelijk gemaakt dat het geïntegreerde jaarverslag een uitgebreid verhaal moet zijn waarin uitgelegd moet worden hoe de onderneming zijn waarde creëert. Hierin worden allerlei aspecten hoe waarde wordt gecreëerd, verbonden met elkaar, waardoor een coherenter beeld ontstaat van de prestaties van de onderneming. De grote beschikbaarheid van met name digitale data kan hierbij helpen.
De moeilijkheid is vooral om te bepalen welke en hoe die verschillende data met elkaar moeten worden verbonden (connectivity). Moet er een infrastructuur (regelgeving, ICT en dergelijke) komen waardoor de data kunnen worden verbonden of moet het meer een dynamisch en plastisch systeem worden waarmee steeds opnieuw gekeken wordt hoe uit alle data nieuwe informatie kan worden gehaald?

Hoe de data zouden kunnen worden verbonden wordt weergegeven in de onderstaande figuur

1a

De data moet worden gesorteerd zodat er een algeheel beeld ontstaat van het functioneren van de onderneming. Vervolgens moeten relevante data worden geselecteerd en met elkaar worden verbonden zodat een coherent verhaal en daarmee beeld ontstaat hoe de onderneming waarde creëert.

In de aansluitende discussie gaven de panelleden aan dat investeerders en aandeelhouders steeds meer willen weten hoe alle kapitalen van een onderneming bijdragen aan de waardecreatie van de onderneming. Op dit moment schieten de jaarverslagen hierin nog tekort. Een beperkende factor hierbij is de wetgeving. Die is vooral gericht op data die de onderneming moet opleveren en niet op het verbinden van data en het geven van informatie.

Nuttig voor MKB
In het paper Soft Regulating’ Integrating Reporting for SMEs: The Case of Italy door Del Baldo Mara en Girella Laira wordt onderzocht of het framework integrated reporting van de International Integrated Reporting Council (IIRC) geschikt is om te implementeren in het midden- en kleinbedrijf (MKB). Tot op heden is veel onderzoek gedaan naar integrated reporting bij grote bedrijven.
Er bestaat een kloof tussen enerzijds onderzoek over en naar integrated reporting en anderzijds de praktijk hoe het moet worden ingevoerd, in het bijzonder in het MKB.
Om deze kloof te dichten zijn er richtlijnen (soft regulations) gemaakt hoe integrated reporting geïmplementeerd kan worden in het MKB in Italië.
Onderstaande figuur geeft een beknopt overzicht hoe integrated reporting moet worden geïmplementeerd in het Midden en Klein bedrijf

menselijk kapitaal moet groeien afb 2

Drie Italiaanse bedrijven hebben al een integrated report gemaakt of zijn bezig het te implementeren met behulp van de soft regulating. Het blijkt dat de soft regulating een interessant hulpmiddel kan zijn. In de paper wordt geconcludeerd dat het integrated framework verder moet worden aangepast aan de taal, cultuur en strategische oriëntatie binnen het MKB. Daarbij moeten de materialiteit en de uiteindelijke KPI’s worden beperkt.

Wat te doen met alle data
Zweden heeft een rijke historie als het gaat om het verzamelen van data over het wel en wee van haar inwoners en in het bijzonder de werknemers. Het Nyckeltals instituut houdt zich hiermee bezig. En daar hield Bino Catasus van de Stockholm Business School zijn lezing over onder de titel ‘Accounting People’. In de loop van de tijd zijn de centrale thema’s van de verzameling data veranderd. De aandacht is verschoven van de attractiviteit van werkgevers naar gender en buitenlandse achtergrond. Tegenwoordig heeft vooral gezondheid de aandacht.
De behoefte aan het verzamelen van de data komt voort uit de wet- en regelgeving, intrinsieke wens om iets te weten en te kunnen sturen. Uiteindelijk kan met behulp van de data vergeleken worden, normen worden gemaakt, geleerd en problemen worden gesignaleerd. In de praktijk verdwijnen er echter veel rapporten met data in vele bureaulades om er nooit meer uit te komen. In de toekomst moet er niet meer data worden verzameld om het verzamelen. Ten aanzien van het intellectueel kapitaal zal meer aandacht moeten worden besteed aan het plezier van werken bij mensen. Ten slotte zal er meer moeten worden onderzocht hoe de data worden gepresenteerd zodat het impact heeft

Eigen kosten-batenanalyse
Op de terugreis heb ik geprobeerd een kosten-batenanalyse te maken van verblijf aan Ancona. Heeft het congres toegevoegde waarde gehad? Hierbij heb ik niet alleen naar de financiële waarde maar ook de niet financiële waardes moeten kijken. Overduidelijk is dat het congres geld, tijd en stress heeft gekost. Daar tegenover heeft het nieuwe inzichten en nieuwe contacten opgeleverd.
En, last but not least, wederom tot het besef gekomen dat het praktisch onderzoek dat studenten en docenten binnen het lectoraat verrichten helpt bij het verder ontwikkelen van de verslaglegging bij bedrijven om uiteindelijk te komen tot een meer duurzame wereld.

Tom Vos
Docent ASIS en lid van de kenniskring van het lectoraat Sustainable Finance and Accounting

Kritisch denken? Blijf daar niet te veel in hangen

Kritisch denken is een gevleugelde term binnen HBO-onderzoek. Opvallend eigenlijk, want waar universitaire onderzoekers de denkers bij uitstek zijn, worden HBO-ers omschreven als denkers die doen. Maar doen wij wel genoeg? Veel van ons onderzoek bevat wel denkkracht, maar de actie is beperkt. We schotelen bedrijven een advies voor of een implementatieplan, maar veel vuiler maken we onze handen niet. Ik wil dan ook een lans breken om ons kritisch vermogen vaker om te zetten in actie.

Een eerste stap om modder aan de voeten te krijgen is om los te komen van rapporten en onderzoeksdata en buiten te gaan communiceren en observeren. Toegegeven, veel studenten staan meteen in de startblokken om hun onderzoeksvraag aan experts voor te leggen die hopelijk snel met antwoorden komen. Maar dat is nog geen kritisch communiceren. Kritisch communiceren is een goed voorbereid vraaggesprek voeren, waarbij men doorvraagt, zaken in twijfel durft te trekken en achter de woorden luistert. Waarbij men soms met hele andere informatie en inzichten terugkomt dan waarvoor men kwam. Na afloop van het gesprek nog even goed rondkijken, kritisch observeren wat je ziet of niet ziet in het bedrijf, dat is altijd leuk en vaak nuttig. Nauwelijks fietsen in de stalling, geen bushalte en veel auto’s op de parkeerplaats trekken dat mooie duurzame praatje dat je zo net hoorde in twijfel. En ondanks dat de HRM-manager over een jong energiek team spreekt, zie jij op dinsdagochtend tien voor half elf enkel 50+ personeel op de werkvloer. Wetenschappers houden niet zo van die spontane observaties, maar voor een HBO-er is dit om van te smullen. Echter het wordt pas onderzoek als je deze gegevens ook goed documenteert, dat maakt je kritische observaties tot echte onderzoeksdata.

Een tweede en nog wat uitdagendere stap is om onderzoek te doen op basis van acties die je zelf initieert tijdens de onderzoekscyclus. Actieonderzoek wordt hierbij vaak genoemd, maar daar ligt mijn eigen expertise niet. Veel meer ervaring heb ik met het uitzetten van experimenten en pilots waarbij men vervolgens analyseert en observeert wat er gebeurt. Zo heeft een van mijn stagiairs vorig semester nudging-experimenten uitgevoerd om medewerkers aan te zetten tot minder printen en kopiëren. Ze initieerde communicatie-acties, plakte nudging posters en stickers en observeerde met harde data (het aantal printjes uit de printer) en zachte data (focusgroepen, interviews) wat er gebeurde. Ik had ook eens een student die een winkelschap mocht ombouwen en met verkoopdata van merken en producten aan de slag ging. De crux bij dit soort onderzoek is dat je eerst goed nadenkt wat je gaat doen en ook verzint welke data je nodig hebt voor de analyse van de actie. Anderzijds leveren veel experimenten niet meteen het beoogde resultaat op, daar is het ook een experiment voor. Een goed kwalitatief en kwantitatief onderzoek is na de actie belangrijk, om vervolgens te kunnen bedenken hoe het volgende experiment of de volledige implementatie eruit moet zien. Er ontstaat zo een denk-doe-onderzoek-denk-doe cyclus.

Als ik prekerig overkom, dan betekent dat meestal dat ik het ook tegen mezelf heb. Binnen lectoraatsonderzoek ligt het gevaar van eindeloos kritisch denken en niet kritisch doen op de loer. Maar ik hoop dat mijn intenties om niet in die valkuil te vallen hand-in-hand mogen gaan met innovaties van onderzoek in de opleidingen. Want onze studenten willen niet alleen maar denken, ze willen ook doen. Mijn motto: eerst woorden en dan ook daden.

Jorna Leenheer
Lector New Marketing

Scherp blijven met actie-onderzoek

Actieonderzoek beeld

Waarom duurzaam organiseren mét stakeholders?

Omgaan met veranderingen
In welk vakgebied je ook werkt, omgaan met veranderingen binnen en buiten de organisatie zijn aan de orde van de dag. Complexe trends veroorzaken complexe veranderprocessen en flinke discussies binnen organisaties.

Grote vraag is hoe je zorgt dat de organisatie veranderingen goed kan incorporeren in haar bedrijfsstrategie en handelen:
• Hoe zorg je dat mensen en organisaties goed om kunnen gaan met veranderingen?
• Hoe kun je zorgen dat de neuzen dezelfde richting op komen te staan en blijven?
• Hoe ga je om met mensen die weerstand bieden tegen veranderingen?
Essentiële vragen in het kader van duurzaam ondernemen en organiseren.

Methoden voor duurzaam organiseren
ESB onderzoekt en adviseert hoe bedrijven kunnen innoveren en inspelen op de snel veranderende omgeving. Ze doet dat vanuit verschillende perspectieven (lees: lectoraten) en met praktijkgerichte onderzoeksmethoden. Een veelbelovende benadering voor managers en beleidmakers om snel in te spelen op vraagstukken rond veranderende situaties en contexten is actieonderzoek, waar ik laatst een interessante workshop in volgde van Tonnie van der Zouwen.

Veranderen is mensenwerk
Veranderen heeft alles te maken met waarnemen, interpreteren, duiden, analyseren, redeneren, argumenteren, selecteren, prioriteren en communiceren. Organisaties gaan vooral over strategie, bestaansrecht, afdelingen, groepen, leiderschap, medewerkers, besturen, delegeren, manieren van werken en culturen. Vooral psychologische en sociologisch processen dus; het blijft mensenwerk.

Betekenis geven met actieonderzoek
Wat is actieonderzoek eigenlijk? In een notendop is het een benadering voor psychosociale betekenisgeving binnen de organisatie en de wereld eromheen.

In tegenstelling tot klassiekere onderzoekvormen als interviews, observaties en enquêtes gaat actieonderzoek vooral over onderzoek samen met belanghebbenden in plaats van over belanghebbenden; veel minder op afstand dus en meer gericht op gezamenlijke betekenisgeving en verantwoordelijkheid.

Ook is actieonderzoek ‘een dynamisch onderzoeksproces waarin veranderen en onderzoeken onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn’, aldus Frank Cornelissen. Kort cyclisch dus en rekening houdend met nieuwe veranderingen. En dat maakt het een interessante benadering voor vraagstukken in complexe veranderende omgevingen.

Methoden en benodigdheden
Bij actieonderzoek kun je vele participatieve methoden en werkvormen gebruiken, zoals open space technology, brainstorms, large scale interventies, klankbordsessies en Group Model Building. Iedere methode kent zijn voor- en nadelen en aandachtspunten voor betrouwbaarheid en validiteit.

Wat heb je nodig?
Mooie methodes die je snel kunt inzetten, maar dat gaat niet zomaar. Effectief toepassen vergt specifieke vaardigheden en attitudes van onderzoekers, begeleiders, deelnemers én opdrachtgevers.

Tonnie van der Zouwen selecteerde 10 praktische regels voor wie onderzoek doet in levende systemen:
1. Bepaal wat nu eigenlijk de vraag is
2. Reflecteer op hoe je er zelf in zit
3. Bepaal voor wie het onderzoek bedoeld is
4. Denk niet voor mensen, maar ga het ze vragen
5. Verplaats je in de eigenheid van de onderzochten
6. Wees kritisch en zoek naar tegengesteld bewijs
7. Gebruik je voorstellingsvermogen voor een dieper, rijker en breder begrip
8. Zoek naar patronen en check je bevindingen
9. Analyseer en synthetiseer de bevindingen
10. Deel de uitkomsten en blijf onderzoeken

 
Conclusie
Ik merk dat de veelbelovende methoden van actie-onderzoek relatief nieuw zijn in onderzoeksland en het bedrijfsleven. Mijn belangrijkste vraag is in hoeverre actieonderzoek nu al bij organisaties wordt toegepast en hoe de kosten en baten worden ervaren door de belangrijkste betrokkenen.
Heb je ervaringen, tips of ideeën? Ik hoor het graag.

Auteur: Mitchell Droog

Tekening: Sim on Kneebone

 

 

Avans, steun de oproep van Universiteit Groningen aan ABP

Het pensioenfonds ABP moet het ingelegde vermogen van de pensioenspaarders duurzamer en gezonder beleggen. Dat vinden de medewerkers van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en daarom roepen het College van Bestuur en de Universiteitsraad in een gezamenlijke brief aan het pensioenfonds op om niet meer te beleggen in fossiele brandstoffen en de tabaksindustrie. Volgens Pieter Polhuis, plaatsvervangend voorzitter van de Universiteitsraad, ‘strookt het fossiel en ongezond beleggen van deze pensioenen niet met de visie van de universiteit’.

De RUG is de eerste hoger-onderwijsinstelling die zo duidelijk haar eigen visie en strategie koppelt aan eisen voor het beleggingsbeleid van het pensioenfonds. De universiteit heeft een uitgesproken duurzame visie en heeft vergaande doelen gesteld op het gebied van vitaliteit, energie- en klimaat en wil minder op geld en meer op waarde sturen. http://www.rug.nl/about-us/who-are-we/sustainability/general/roadmap2015.pdf Gezien de ambities van Avans Hogeschool zou het ons passen aan te sluiten bij de oproep van de Groningse Universiteit. Avans heeft ook nadrukkelijk een duurzaamheidsbeleid waarbij aan de milieu- en klimaatkant vooral ingezet wordt aan het bijdragen aan de circulaire economie door het implementeren van een circulaire bedrijfsvoering. http://www.avans.nl/over-avans/organisatie/jaarverslag-2016

Helaas is de macht van onderwijsinstellingen en van ons als individuele premiebetalers om het ABP te veranderen beperkt. Wettelijk zijn we verplicht om voor ons pensioen bij het ABP te sparen. Dat is jammer want hierdoor kunnen we niet onze voorkeuren over waar ons uitgestelde inkomen aan besteed wordt, laten zien door naar een ander pensioenfonds over te lopen. We moeten het dus hebben van het openbare debat, het rechtstreeks aanspreken van het ABP via brieven en het gaan naar deelnemersvergaderingen. De kracht zit in het getal dus hoe meer stakeholders zich actief mengen in het debat, hoe meer het bestuur van het ABP zich gedwongen voelt om het beleggingsbeleid te veranderen.

Fiduciaire plicht

Een veel gehoord argument tegen duurzaam beleggen is dat het financieel rendement zou kosten en dat zou in strijd zijn met de fiduciaire plicht: de verantwoordelijkheid om voorzichtig om te gaan met het geld van de pensioenspaarders, die wettelijk is vastgelegd. Om de vooronderstelling van een slechter rendement te ontkrachten is er al heel veel onderzoek gedaan en daaruit blijkt dat rekening houden met criteria op het gebied van milieu, klimaat, sociale en gezondheidsaspecten en goed bestuur niet nadelig is en ten minste hetzelfde financiële rendement oplevert. Onderzoek van de twee Groningse hoogleraren Bert Scholtens en Auke Plantinga laat dat ook zien. https://fd.nl/beurs/1147389/groen-beleggen-hoeft-geen-rendement-te-kosten

Wat nog niet in dat rekensommetje meegenomen wordt, is het maatschappelijke rendement dat we kunnen incasseren als we beleggen in schonere energie, betere gezondheidszorg en energieneutraal vastgoed. Zo heeft onderzoeksbureau CE Delft uitgerekend dat de effecten van luchtvervuiling de Nederlandse samenleving per jaar minimaal 4 miljard euro kost.

Het gaat niet alleen om minder kosten, er zit ook een financieel extraatje in de pijplijn. Volgens Stanford-hoogleraar Tony Seba kan als er maar flink geïnvesteerd blijft worden in duurzame energie, die energie over 15 jaar gratis zijn. Reken maar uit wat dat een gezin aan extra budget oplevert per jaar. Bovendien zijn we dan ook af van de 540 euro subsidie die de fossiele industrie per jaar per Nederlander ontvangt. http://www.energieoverheid.nl/2015/07/24/imf-subsidie-fossiele-energie-e540-per-nederlander/

Daarnaast heeft de kredietcrisis laten zien dat beleggen zoals de efficiënte markttheorie het voorschrijft – zoveel mogelijk spreiden om risico’s heel klein te maken – leidt tot kuddegedrag en juist weer een systeemrisico genereert. Zoals hoogleraar Economie van complexiteit en onzekerheid in financiële markten en financiële instituten Lex Hoogduin het uitlegde: ‘We zaten met zijn allen op een vlot en vervolgens rende iedereen naar één kant’.

Kortom, het is de hoogste tijd dat we de 1500 miljard euro die we met zijn allen door pensioenfondsen, vermogensbeheerder en verzekeringsmaatschappijen laten beleggen actiever gaan volgen. Niet alleen omdat het ons uitgestelde inkomen is, maar vooral omdat met dat de impact van die beleggingen positief moet zijn: bijdragen aan de kwaliteit van leven, wonen en werken. Dat levert een aanzienlijk hoger rendement op dan de schade beperken of moeten repareren. Laten we als eerste een mail sturen aan het College van Bestuur en de Medezeggenschapsraad dat Avans net als de RUG het ABP oproept duurzamer en gezonder te beleggen.

Marleen Janssen Groesbeek

Lector Sustainable Finance and Accounting