Moderne bussinessmodellen die duurzaamheid bevorderen

Strategische filantropie is een vorm van samenwerking tussen een onderneming en een goed doel of maatschappelijke organisatie. Soms zoekt het goede doel bewust naar een commerciële partner die bij zijn doelstelling past en die doelstelling financieel en met specifieke kennis kan ondersteunen. Andersom kan een onderneming bewust op zoek gaan naar een goed doel dat aansluit bij de maatschappelijk impact die het bedrijf wil maken. Of ze richten zelf een goed doel op of investeren in projecten die strategisch bij het bedrijf passen via een corporate foundation, een stichting. Shell heeft bijvoorbeeld een eigen stichting, maar DSM heeft een partnerschap met het World Food Programme. Beide zijn voorbeelden van strategische filantropie.

Op de conferentie Globe 2016 presenteerde het mediabedrijf Sky zijn drijfveren achter de oprichting van Sky Academy. Sky investeert fors in de Sky Academy waar langdurig werklozen opleidingen krijgen en een baan. Het geven van onderwijs aan deze groep is in het voordeel van Sky. Het krijgt gekwalificieerd personeel en een verbeterde reputatie. Dat laatste is niet onbelangrijk voor Sky, dat als (te) commercieel te boek staat.

Een andere vorm van strategische filantropie die meer naar een commercieel businessmodel neigt, is het betalen van een betere prijs dan op de wereldmarkt geldt voor een product. Een voorbeeld daarvan is het kopen van katoen van kleine katoenboeren door Engelse gerenommeerde modehuizen. Zij hoeven dat zelf niet te doen, maar maken gebruik van tussenpersonen. De boeren krijgen zo een betere prijs en kunnen zo  hun productiemethoden duurzamer maken.

Philips Lighting greep Kyoto 2006 aan om de change te maken van leverancier van lampen naar dienstverlener van verlichting. Het bedrijf verkoopt geen ledlampen meer, maar verkoopt lumen. Klanten betalen voor de hoeveelheid licht die ze nodig hebben. Dat is goed voor Philips en goed voor bijvoorbeeld scholen die veel licht gebruiken. Steeds vaker durven scholen te investeren in duurzame oplossingen in het gebouw, zoals verlichting. Ouders laten hun kinderen graag naar een duurzame school gaan en daar is dan de meerwaarde.

Er is niet één nieuw businessmodel. Per product, markt, regio, sector zijn er unieke omstandigheden die tot steeds weer andere businessmodellen leiden. Om die businessmodellen te laten slagen moeten de aannames wel veranderen om te denken in nieuwe businessmodellen. Zo moet het doel van de organisatie opnieuw geduid worden. Waartoe is het bedrijf nu echt op aarde?  Het tijdframe moet verruimd worden. Niet alleen kortetermijneffecten, maar zeker ook de middellange- en lange termijn moet worden meegenomen.  De grenzen en de reikwijdte moeten worden verruimd. Het grotere plaatje moet worden gezien. En zeker niet als laatste: De negatieve gedachte ‘het gaat niet lukken’ moet verdwijnen. Leiderschap en visie zijn van eminent belang. De nieuwe premier van Canada van Justin Trudeau van de ochtend was daar ook weer een mooi voorbeeld van.

Kortom. Het is tijd voor actie! ‘Spending more time on what is agreed in spite of spending more time on agreeing on what to do’.

Edwin Verlangen, voorzittend directeur ESB

 

 

Globe 2016: Cheap oil creates demand

IMG_0594

Veel discussie over de vraag of het leeuwendeel van fossiele brandstofreserves in de grond moet blijven om beneden de 2 graden opwarming van de aarde te blijven. Grote investeerders, institutionele beleggers en pensioenfondsmanagers vragen zich af hoe hierop te reageren. Zij maken zich zorgen over stranded assets, investeringen in bedrijven/activiteiten die het risico in zich hebben op korte termijn sterk in waarde te dalen. Zoals bijvoorbeeld de investeringen in fossiele brandstoffen.

In deze discussie spelen veel verschillende belangen: onze planeet, de oliemaatschappijen en landen die fossiele brandstoffen leveren en de consument. Zelfs als we het Parijs-scenario gaan halen, dan nog zijn er nieuwe oliewinningen nodig, omdat de bestaande bronnen onvoldoende zijn en uitgeput raken, terwijl de behoefte van consumenten hoog lijkt te blijven. Het risico bestaat dat de vraag van consumenten onverminderd hoog blijft terwijl oliemaatschappijen in snel tempo hun business downsizen. Zeker bij lage olieprijzen.

Een interessant onderzoek van een van de discussianten: www.arcenergyideas.com

Nies Rijnders, manager ESB

 

 

 

Globe 2016: Green Economic Development

In deze workshop discussieerden vertegenwoordigers van bedrijfsleven, overheid en onderzoeksinstituut over de mogelijkheden en beperkingen om te komen tot een CO2-arme, grondstof efficiënte en inclusieve economie. Er waren enthousiaste verhalen over de wijze waarop Vancouver, New York City en Kopenhagen erin geslaagd zijn om vergroening te realiseren in combinatie met economische groei en dus werkgelegenheid. Ook de CO2 taks waarmee op verschillende fronten is geëxperimenteerd wordt succesvol toegepast. Succes element is de triple helix samenwerking. Hier liggen ook voor het ESB goede mogelijkheden om bij deze ontwikkelingen te steunen op het gebied van onderzoek, innovatie en nieuwe ideeën. Bijvoorbeeld in de samenwerking met de gemeente Oss, Breda en Den Bosch.

 

Nies Rijnders, manager ESB

Opening Globe 2016

IMG_5334 (002)

GLOBE 2016, de mondiale conferentie over Sustainable Business, is geopend door de Canadese premier Justin Trudeau, zie foto. Hij toonde leiderschap en passie voor duurzaamheid in een inspirerend betoog dat hij uit het hoofd en het hart tweetalig (Engels en Frans) uitsprak. Ook burgemeester Robertson van Vancouver toonde zich visionair en gepassioneerd. Een heel verschil met de soms wel erg boekhoudkundige wijze waarop de Nederlandse politiek met deze grootste maatschappelijke uitdaging omgaat.

Vancouver heeft de grootste concentratie clean tech bedrijven van Noord-Amerika. De doelen zijn ambitieus: in 2050 100% renewable!   Canada met zijn schitterende natuur, waaronder de kwetsbare noordpoolgebieden, heeft al vele stappen gezet waaraan Europa een voorbeeld kan nemen. De triple helix, publiek, privaat en research, is daarbij zeer belangrijk. Indrukwekkend was het openingsritueel dat een native Indiaanse vrouw uitsprak. De Indianen zijn al duizenden jaren bezig met respect op te brengen voor hun omgeving. Indrukwekkend om hier bij te kunnen zijn. We kijken reikhalzend uit naar de workshops die we gaan bezoeken en proberen zoveel mogelijk mee te nemen naar ‘ons’ Expertisecentrum Sustainable Business!

Edwin Verlangen, voorzittend directeur ESB

 

De Kick-off en hoe de bal verder rolt

Jorna Leenheer, lector New Marketing.

 

Op 30 september vond de Kick-off van het ESB plaats; de aftrap. Iedereen die wel eens gevoetbald heeft, weet dat je bij de aftrap de bal slechts één keer mag raken en hem daarom normaal gesproken onmiddellijk aan een medespeler speelt. Ook het ESB wilde tijdens de Kick-off de bal toespelen aan haar medespelers; dat wil zeggen Avans-collega’s, bedrijven uit de regio, organisaties op het gebied van duurzaamheid en studenten actief betrekken bij het spel. Zo weinig mogelijk gepingel, maar interactieve presentaties, workshops en games. Met goed samenspel in de richting van de goal. Niet om meteen te scoren, dat gebeurt net als bij voetbal ook bij onderzoek doorgaans niet, maar om te zorgen dat de bal over een tijdje zonder moeite kan worden ingekopt.

Met de kenniskring New Marketing waren we als team aanwezig en verzorgden gezamenlijk tweemaal een interactieve workshop. Deze workshop ging over de duurzame customer journey op het gebied van textiel. Welke reis maakt een consument op het gebied van de aanschaf, gebruik en het afdanken van kleding en in hoeverre zijn hier meer of minder duurzame keuzes te maken? De inleidende aftrap werd gegeven door Martijn van Groen van het AOC waarna het Lectoraat het stokje overnam en de deelnemers aan de slag gingen met het verduurzamen van de keuzes van zes Nederlandse huishoudens. Met als belangrijke vraag hoe marketing hier een stimulerende en prikkelende rol kan spelen. Als Lectoraat beschouwden we deze workshops als bijzonder plezierig en succesvol, niet in de laatste plaats vanwege de goede opkomst en de positieve feedback die we mochten ontvangen.

Maar nog veel leuker werd het toen we na de Kick-off werden benaderd door verschillende docenten die de case in hun onderwijs willen gaan opnemen. Twee opleidingen (binnen ASIS en AAFM) gaan inmiddels de workshop opnemen als onderdeel van een vak. Aan ons de taak om hen van een goede docentenhandleiding en instructie te voorzien. We zien dit als mooi voorbeeld dat het Lectoraat terugvloeit naar het onderwijs, en zelfs zonder dat we dat voorheen hadden voorzien. Natuurlijk mogen er zich nog meer docenten en opleidingen melden.

Daarnaast gaan we samen met het Ondernemerscentrum in gesprek met Rijkswaterstaat die ons al van informatie voorzag als input voor de case over verdere samenwerking. En met RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) zijn er plannen om een soortgelijke case te ontwikkelen vanuit een business-to-business perspectief. Daarmee is de cirkel rond, de workshop doorvertaald naar studenten, docenten en naar het werkveld. We blijven de bal rondspelen, u hoort van ons.

Duurzaam internationaal ondernemen vraagt om nieuwe alliantievaardigheden

Frans Stel, lector International Business.

Consumenten zijn veeleisend. Ze verwachten kwaliteit tegen de beste prijs, willen kunnen kiezen uit een groot assortiment unieke producten die waar ook ter wereld duurzaam geproduceerd worden.

Vooral jonge flexibele bedrijven kunnen snel inspelen op nieuwe wensen. Maar ze hebben niet de middelen om in hun eentje hun producten of diensten te maken of wereldwijd te verkopen. Daarom werken ze vaak samen met andere bedrijven die onderdeel zijn van internationaal opererende netwerken.

Helft van de samenwerkingen mislukt
Samenwerken is niet gemakkelijk, want ongeveer de helft van buitenlandse allianties brengt niet op wat ervan verwacht was. Dat komt met name omdat deze onhandig worden aangepakt. Daarom onderzoeken we hoe de succeskansen van netwerken van kleine bedrijven kunnen vergroten. Bijvoorbeeld of partners wel dezelfde ambities hebben en dezelfde waarden en normen. Hoe ze een ‘klik’ met buitenlandse partners krijgen. Hoe je er achter komt of ze écht te vertrouwen zijn. Niet alles kun je expliciet vragen. Of een partner betrouwbaar is kun je wel vragen, maar het antwoord is altijd ‘ja’. Ga eens een hapje eten met iemand voor je een samenwerking aangaat. Door de manier waarop iemand doet, krijg je meer te weten of iemand bij je past.

Partnervaardigheden
Effectief duurzaam en samenwerken in internationale netwerken gaat niet vanzelf. Hiervoor zijn specifieke kennis, vaardigheden en een “open” houding nodig. Zo moet je aan een team met buitenlandse partners op een andere manier van leiding geven: minder hiërarchisch en meer gericht op het omgaan met de andere culturen van de partners.

Partnerspel
Om alliantievaardigheden te kunnen oefenen hebben we bij Avans een spel ontwikkeld waarmee we op een systematische wijze de belangrijkste criteria bespreken voor het omgaan met buitenlandse zakelijke partners. Dit spel is vooral gericht op jonge zeer internationale bedrijven (“Born Globals”), omdat deze steeds belangrijker worden. In zogenaamde “communities of practice” onderzoeken we “best practices” en knelpunten van jonge ondernemers en hun internationale teams. Ook kijken we naar welke nieuwe business modellen het meest veelbelovend zijn.

Programma lectorale rede
Hoe Born Globals hun alliantievaardigheden kunnen vergroten vertel ik tijdens mijn lectorale rede “Partner or Perish”.

Vrijdag 13 november bij Avans Den Bosch, tijdstip 12.00 -17.30 uur. Na de lunch delen Prof. Arjen van Witteloostuijn (Tilburg University) en rasondernemers Tim en Aad Ouborg hun visie op international business allianties.

Geïnteresseerden die het programma willen bijwonen, kunnen zich van tevoren aanmelden. Locatie: Avans Hogeschool, Onderwijsboulevard 215 in Den Bosch.

 

Duurzame krimp: de detailhandel als sociaal concept in kleine kernen

Jorna Leenheer, Lector New Marketing

 

 

Als kind groeide ik op in een dorp met ongeveer 1200 inwoners. Even goed gravend in mijn geheugen, telde het dorp in de jaren ’80 twaalf winkels: een bakker, een slager, 2 kappers, een schoenmaker, een kruidenierswinkel, een sigarenboer, een postkantoor, een fietsenmaker/benzinestation, een groenteboer, een winkel voor huishoudelijke apparaten en een kledingwinkel. Daarvan zijn nu alleen nog de bakker en slager over. In mijn studententijd (jaren ’90) woonde ik in een naoorlogse wijk in Tilburg met ook daar ongeveer tien detaillisten, waarvan er nog een over was toen ik er recentelijk doorheen fietste. Anno 2015 koopt 75% van de Nederlanders wel eens iets online, 40% zelfs regelmatig (Bron: CentERpanel, 2015). Als de traditionele detailhandel wil overleven, dan moeten ze zichzelf vernieuwen en op zoek gaan naar nieuwe business-concepten. Daar kunnen we nostalgisch over gaan doen, maar de wereld is nu eenmaal veranderd.

De situatie wordt nijpend als praktisch alle voorzieningen in een dorp of wijk aan het verdwijnen zijn en dit ook nog gepaard gaat met bevolkingskrimp. Waar dat toe kan leiden, daarvan geeft de 2doc-documentaire “Koppig Dorp” over het Noord-Groningse Ulrum een inkijkje[i]. Je voelt medelijden met de heer Vogelenzang van de noodlijdende Spar, maar ook verbazing over het gebrek aan sociale cohesie en de verdeeldheid in het dorp. Wonen in zo’n krimpgebied, dat voelt dan op een gegeven moment gewoon niet altijd meer zo goed, lijkt het (Leenheer en Pieters, 2011). En dat speelt zeker niet alleen in Noord-Groningen of Zuid-Limburg. Want terwijl Noord-Brabant groeit, is leegloop van kleine kernen ook in onze provincie aan de gang. Ik gooi er nog een paar korte studentendocumentaires tegenaan, genaamd de krimp van Brabant, over leefgemeenschappen als De Heen, Zwingelspaan en Drimmelen[ii].

Krimp is een maatschappelijk probleem dat de overheid zich aantrekt, zo ontving het dorp Ulrum maar liefst € 1,5 miljoen van de provincie Groningen om het dorp leefbaarder te maken. Op grote schaal lijkt dat een weinig duurzame en in ieder geval heel dure oplossing. De oplossing ligt volgens mij in een cocreatie van overheid, burgers en bedrijfsleven (en die laatste stond in Ulrum nogal buitenspel). Misschien kan de goede oude detailhandel zich vernieuwen en als kantelpunt in een wijk of dorp gaan fungeren. Maar dan moet het wel anders, niet meer dozen schuiven, maar het creëren van een hernieuwd service-concept en sociale waarde. Dat klinkt vaag, maar met een aantal mooie voorbeelden wordt het meteen duidelijk wat het idee is.

  • In Maliskamp, een dorp ten zuiden van Rosmalen, is de buurtmarkt actief, een kruidenierswinkel waar je bijvoorbeeld ook koffie kan drinken. De winkel wordt gerund door mensen met een beperking, ondersteund door een groep vrijwilligers uit het dorp. Geen zorgboerderij, maar een zorgsupermarkt. Dit idee van een zorgsupermarkt is ook opgepakt binnen het concept Support en Co dat 25 winkels exploiteert (http://www.supportenco.nl/) en door Attent die ook al diverse zorgsupermarkten heeft.
  • In het dorp Espel in de Noordoostpolder opende in 2011 de Troefmarkt, middels crowdfunding onder de bevolking. Er werd € 50.000 opgehaald, de bewoners kregen het ingelegde bedrag terug via kortingen bij de desbetreffende Troefmarkt.
  • In Sterksel (gemeente Heeze-Leende) hebben dorpsbewoners een coöperatie opgericht die gezamenlijk de dorpssuperwinkel runt. 250 Sterkselse huishoudens (zo’n 60% van het totaal aantal huishoudens in Sterksel) zijn lid van de coöperatie en samen maken zij per week zo’n 60-100 vrijwilligersuren in de winkel. Ze halen ook buurtbewoners op die zelf niet meer in staat zijn om bij de supermarkt te komen, zogezegd een omgekeerde bezorgdienst.
  • En om terug te komen op mijn oude buurt in Tilburg. De naburige MBO-opleiding De Rooie Pannen, runt niet veel verder een eigen winkelcentrum, waar leren en werken samen gaan. En waar je prima boodschappen doet, uit eten kunt en zelfs overnachten.

Binnen mijn Lectoraat willen we aan de slag met deze transformatie van de detailhandel in kleine kernen om zowel de detailhandel zelf als de kleine dorpen en kernen te verduurzamen. Want deze mooie voorbeelden ten spijt, is hiermee nog niet een twee duidelijk wat werkt en wat niet en voor welke kernen. Zo is De Troefmarkt in Espel inmiddels al weer ter zielen. Wat is nu precies de succesfactor van dergelijke buurtinitiatieven? Zoals retailexperts altijd zeggen: retail is detail. We willen het naadje van de kous, of nog beter de Ulrumse sok, weten.

 

Referenties:

Jorna Leenheer, Rik Pieters, “Wonen in een krimpregio: hoe voelt dat nou?”, Me Judice, 10 februari 2011.

[i] http://www.eo.nl/tv/eo-documentaires/aflevering-detail/aflevering/2doc-koppig-dorp-20150608t203000/

[ii] http://www.dekrimpvanbrabant.nl/verhalen/

 

Oma, was u goed of fout in de hete oorlog?


Tonnie van der Zouwen, lector Sustainable Working and Organising

Afgelopen vrijdag was ik bij de lectorale rede van mijn collega Marleen Janssen Groesbeek. De titel van haar betoog is Van passieve stakeholder naar activistische vennoot’ . Ze durft haar nek uit te steken. Net nu er steeds meer positief nieuws komt dat de economische crisis die zo’n zeven jaar heeft geduurd voorbij is, komt zij met de boodschap dat we kunnen wachten op de volgende crisis. De vraag is niet of die komt maar wanneer. We hebben er namelijk niets van geleerd. De patronen van focus op korte termijn winst en het creëren van zeepbellen gaan in de financiële wereld gewoon door. Ze verwijst naar het boek ‘Dit kan niet waar zijn’ van Joris Luyendijk.

Maar wij houden deze patronen zelf ook in stand. Wie van ons spreekt zijn pensioenfonds aan op waar ons geld in belegd wordt? Marleen houdt ons voor dat we allemaal vennoten zijn in de BV Nederland. Ze roept ons op om onze verantwoordelijkheid in een duurzame toekomst te nemen en activistische vennoten te worden in plaats van passieve stakeholders.

Terwijl ik zit te luisteren in de grote collegezaal van Avans Hogeschool in Breda denk ik ineens aan de conference Hete Vrede  van Claudia de Breij. Het is 2060 en ze houdt een gesprek met haar kleinzoon. Die vraagt: Oma, was u goed of fout in de hete oorlog? Natuurlijk zouden we dan graag zeggen: Jongen, oma heeft er alles aan gedaan om tot een gelijkere verdeling van voedsel te komen, om de opwarming van de aarde te beperken, ervoor te zorgen dat er geen hekken om de rijke landen gebouwd hoefden te worden om de stroom arme vluchtelingen buiten te houden. Zodat nu iedereen op een aangename manier kan leven.

Nu weet ik uit eigen ervaring dat het moeilijk is om los te komen van de korte termijn winst. Ik doe als burger mijn best om een steentje bij te dragen, maar ik wil ook nu lekker leven. Een voorbeeld. We zijn overgestapt op elektrische auto’s. We hebben er zelfs 2 (!). Die stroom komt ergens vandaan, vaak nog van centrales met verbrandingsovens, soms kolengestookt, die evengoed nog CO2 uitstoten. Hoe duurzaam is dat dan? Het is symptoombestrijding, een druppel op een gloeiende plaat als de onderliggende patronen van organiseren niet veranderen. Patronen kan je alleen samen veranderen. Daar hebben bedrijven, overheden, maar ook consumenten hulp bij nodig. Het Expertisecentrum Sustainable Business wil daar met praktijkgericht onderzoek vanuit zes lectoraten een bijdrage aan leveren. Dat onderzoek gaan we samen met studenten, docenten en werkveld doen.

Duurzame ontwikkeling begint met bewustzijn van hoe we willen leven, nu en in de toekomst. Waar worden we gelukkig van? Welke prijs willen we daarvoor betalen? Marleen pleit ervoor om die prijs dan ook eerlijk te berekenen. Niet alleen de kosten voor productie, maar ook de kosten van schadelijke effecten op de maatschappij. Met behulp van integrale verslaglegging kunnen bedrijven laten zien hoe ze rekening houden met die effecten. Zij gaat met de onderzoeksgroep van haar lectoraat Sustainable Finance and Accounting uitzoeken hoe ook MKB bedrijven, de grootste bedrijfstak van Nederland, een duurzame bedrijfsvoering kunnen ontwikkelen. Jan Jürriens, lector Sustainable Strategy en Innovation, gaat daar in zijn lectorale rede op 19 juni 2015  bij aansluiten met de boodschap ‘Van winst naar waarde’. Het past ook goed bij mijn definitie van duurzame ontwikkeling. Die draait om een toename van bewustwording, van 2.0 ego-systeem bewustzijn naar 4.0 eco-systeem bewustzijn, zie ook mijn lectorale rede ‘Handen en voeten geven aan duurzaam organiseren ’. Waarschijnlijk ga ik het jaar 2060 niet meemaken, maar ik hoop dat ik tegen mijn (achter)kleinkinderen kan zeggen: Oma zat bij het verzet in de hete oorlog en dat heeft ook echt iets teweeggebracht.

 

Kom uit je luie stoel!

Marleen Janssen Groesbeek, lector Sustainable Finance and Accounting

 

Als we niets doen aan onze CO2-uitstoot in de komende jaren, dan gaat de gemiddelde temperatuur op aarde niet met 2 graden Celsius omhoog, maar misschien wel met 4 of zelfs met 6. Over hoe erg dat precies kan uitpakken, weet nog niemand. Er kunnen allerlei kettingreacties ontstaan die het leven op aarde aanzienlijk moeilijker maken. Wat we wel weten dat zelfs als we in staat zijn om op die grens van 2 graden Celsius opwarming te blijven, we extreme weersomstandigheden kunnen verwachten, zoals lange periodes van droogte of juist lange periodes van heel veel regen.

Het besef dat we wat aan de klimaatverandering moeten doen, is nu ook langzaam tot grote beleggers doorgedrongen. Dat bleek de afgelopen week tijdens grote conferentie over verantwoord en duurzaam beleggen in Londen. De vraag die daar gesteld werd was: zijn institutionele beleggers onderdeel van het probleem of onderdeel van de oplossing van klimaatverandering?

Institutionele beleggers zijn pensioenfondsen, vermogensbeheerders, verzekeringsmaatschappijen, beleggingsfondsen, banken, en andere partijen die miljoenen en miljarden beleggen van andere mensen. Mensen die graag een appeltje voor de dorst hebben of sparen voor hun pensioen of de studie van hun kinderen. Als we weten dat het leven op aarde niet meer zo leuk wordt als het klimaat drastisch verandert, dan zou het de plicht van die grote beleggers moeten zijn om te zorgen dat dat geld voor later goed belegd wordt. Zo goed dat we na 30 jaar niet alleen geld hebben, maar dat er ook nog een goede samenleving is waar dat geld betekenis heeft. Wat heb je aan 3000 euro in de maand, als je de hele zomer moet binnen zitten omdat het alleen maar regent en regent. En als brood, pasta en andere graanproducten onbetaalbaar zijn geworden omdat de landen waar dat graan vandaan moet komen, al maanden geen druppeltje regen gezien hebben.

Kortom, van institutionele beleggers mag verwacht worden dat ze anticiperen op dat soort risico’s en hun beleggingsbeleid aanpassen. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. De grote beleggers, waaronder de Nederlandse pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen, hebben miljarden belegd in fossiele brandstoffen, in olie- en gasbedrijven en in kolenmijnen. Kolenstook voor elektriciteitscentrales is populair, niet alleen in Nederland, maar ook in Azië. Kolen zijn goedkoop en als je ze uit ontwikkelingslanden haalt, dan zijn ze helemaal een koopje. Maar Polen en Duitsland sturen ook nog steeds mijnwerkers onder de grond. De productie van kolen wordt ook nog flink gesubsidieerd. De scheikundigen onder ons weten dat het verbranden van kolen aanzienlijk meer CO2 genereert dan bijvoorbeeld aardgas. En bruinkool, wat onze Oosterburen graag verbranden, genereert nog de meeste CO2.

We moeten onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen afbouwen. Dat is een feit. Onmiddellijk alle aandelen van kolenmijnen en oliemaatschappijen verkopen lijkt een logische keuze. Helaas als alle pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen dat in een keer doen, dan daalt niet alleen heel snel de prijs, wat weer ten koste gaat van andere pensioenspaarders, maar dan raken we ook onze invloed op die fossiele-brandstofproducenten kwijt en dat is geen goed idee als we ze tot ander gedrag willen aanzetten. Bovendien, we willen juist van de afhankelijkheid van bijvoorbeeld het Midden-Oosten af.

Institutionele beleggers spelen een heel belangrijke rol. Zij moeten in gesprek gaan met de bedrijven die hun bestaansrecht ontlenen aan het produceren van fossiele brandstoffen. Dat noemen we ‘investor engagement’. Beleggers moeten de sector overtuigen van de noodzaak van transitie van fossiele naar hernieuwbare energiebronnen.

Dat verkoop daarbij een stok achter de deur is, spreekt voor zich. Maar het is ook interessant om op aandeelhoudersvergaderingen het bestuur van bijvoorbeeld een olieproducent de decharge te onthouden als het niet hun investeringsbeleid aanpast. Decharge van bestuur wordt jaarlijks gegeven als de jaarcijfers zijn goedgekeurd. Door geen decharge te geven, geven aandeelhouders aan dat het bestuur zijn verantwoordelijkheden voor de onderneming niet goed hebben vervuld.

Wij als pensioenspaarders kunnen een belangrijke rol spelen in deze transitie door ons pensioenfonds te vertellen dat wij graag zien dat het de druk op fossiele-brandstofproducenten opvoeren. Wij als belastingbetalers moeten ophouden te stemmen voor parlementsleden die de kolenstook niet willen stoppen. De macht van de gewone burger om te zorgen voor een samenleving die goed is voor huidige en toekomstige generaties is veel groter dan hij of zij denkt. Dus kom uit je luie stoel en doe wat voor een gezonde oude dag.

Duurzaam beleid

Frans Stel, lector International Business

 

Nederland blijft achter bij andere landen wat betreft duurzaamheid. In vergelijking tot hoogontwikkelde landen als Duitsland, Finland of Zwitserland gebruiken we per hoofd van de bevolking meer fossiele brandstoffen en meer CO2. Hoe komt het dat deze landen duurzamer zijn dan Nederland?
Duitsland, Finland of Zwitserland presteren in internationaal opzicht uitstekend: uit het Word Competitive Report 2014 blijkt dat deze landen concurrerender zijn dan Nederland. Deze landen doen het dus qua economie én duurzaamheid beter dan Nederland. Hoe kan dat? Eén van de redenen ligt in meer duurzaam beleid. Omschakelen naar meer duurzame productie en consumptie gaat niet van de ene op de andere dag. Er is een mentaliteits- en gedragsverandering nodig bij iedereen: burgers, bedrijven én overheid. Dat bereik je door consistent beleid waarbij duurzaam gedrag blijvend beloond wordt en niet-duurzaam gedrag blijvend ontmoedigd (=duurder) gemaakt wordt. Duurzaam beleid is in Nederland ver te zoeken. Neem bij voorbeeld de subsidie op zonnepanelen. Zodra deze regeling een succes werd, werd ‘ie’ al weer snel afgeschaft. Te veel subsidie: te duur!
Onze oosterburen doen het anders: daar heeft de overheid zich vastgelegd dat de regelingen voor zonnepanelen vele jaren hetzelfde blijven. Daar prevaleert het langetermijnbelang boven de boekhouder. Ad hoc subsidies gericht op duurzaam gedrag zijn weggegooid geld omdat ze niet leiden tot blijvende gedragsverandering. Dergelijke subsidies kan je beter helemaal niet in het leven roepen.
Duurzame economische groei is mogelijk! Laten we kijken hoe Duitsland, Finland of Zwitserland het voor elkaar krijgen om economische prestaties te combineren met een meer duurzame economie. Laten we ons beleid ook duurzamer maken: meer gericht op langetermijn. Dit betekent duurzaam gedrag blijvend en meerjarig belonen en minder duurzaam gedrag permanent afremmen. Een consistent beleid waarbij kortdurende regelingen niet voorkomen en alle regelingen een gegarandeerde lange looptijd hebben.