Oma, was u goed of fout in de hete oorlog?


Tonnie van der Zouwen, lector Sustainable Working and Organising

Afgelopen vrijdag was ik bij de lectorale rede van mijn collega Marleen Janssen Groesbeek. De titel van haar betoog is Van passieve stakeholder naar activistische vennoot’ . Ze durft haar nek uit te steken. Net nu er steeds meer positief nieuws komt dat de economische crisis die zo’n zeven jaar heeft geduurd voorbij is, komt zij met de boodschap dat we kunnen wachten op de volgende crisis. De vraag is niet of die komt maar wanneer. We hebben er namelijk niets van geleerd. De patronen van focus op korte termijn winst en het creëren van zeepbellen gaan in de financiële wereld gewoon door. Ze verwijst naar het boek ‘Dit kan niet waar zijn’ van Joris Luyendijk.

Maar wij houden deze patronen zelf ook in stand. Wie van ons spreekt zijn pensioenfonds aan op waar ons geld in belegd wordt? Marleen houdt ons voor dat we allemaal vennoten zijn in de BV Nederland. Ze roept ons op om onze verantwoordelijkheid in een duurzame toekomst te nemen en activistische vennoten te worden in plaats van passieve stakeholders.

Terwijl ik zit te luisteren in de grote collegezaal van Avans Hogeschool in Breda denk ik ineens aan de conference Hete Vrede  van Claudia de Breij. Het is 2060 en ze houdt een gesprek met haar kleinzoon. Die vraagt: Oma, was u goed of fout in de hete oorlog? Natuurlijk zouden we dan graag zeggen: Jongen, oma heeft er alles aan gedaan om tot een gelijkere verdeling van voedsel te komen, om de opwarming van de aarde te beperken, ervoor te zorgen dat er geen hekken om de rijke landen gebouwd hoefden te worden om de stroom arme vluchtelingen buiten te houden. Zodat nu iedereen op een aangename manier kan leven.

Nu weet ik uit eigen ervaring dat het moeilijk is om los te komen van de korte termijn winst. Ik doe als burger mijn best om een steentje bij te dragen, maar ik wil ook nu lekker leven. Een voorbeeld. We zijn overgestapt op elektrische auto’s. We hebben er zelfs 2 (!). Die stroom komt ergens vandaan, vaak nog van centrales met verbrandingsovens, soms kolengestookt, die evengoed nog CO2 uitstoten. Hoe duurzaam is dat dan? Het is symptoombestrijding, een druppel op een gloeiende plaat als de onderliggende patronen van organiseren niet veranderen. Patronen kan je alleen samen veranderen. Daar hebben bedrijven, overheden, maar ook consumenten hulp bij nodig. Het Expertisecentrum Sustainable Business wil daar met praktijkgericht onderzoek vanuit zes lectoraten een bijdrage aan leveren. Dat onderzoek gaan we samen met studenten, docenten en werkveld doen.

Duurzame ontwikkeling begint met bewustzijn van hoe we willen leven, nu en in de toekomst. Waar worden we gelukkig van? Welke prijs willen we daarvoor betalen? Marleen pleit ervoor om die prijs dan ook eerlijk te berekenen. Niet alleen de kosten voor productie, maar ook de kosten van schadelijke effecten op de maatschappij. Met behulp van integrale verslaglegging kunnen bedrijven laten zien hoe ze rekening houden met die effecten. Zij gaat met de onderzoeksgroep van haar lectoraat Sustainable Finance and Accounting uitzoeken hoe ook MKB bedrijven, de grootste bedrijfstak van Nederland, een duurzame bedrijfsvoering kunnen ontwikkelen. Jan Jürriens, lector Sustainable Strategy en Innovation, gaat daar in zijn lectorale rede op 19 juni 2015  bij aansluiten met de boodschap ‘Van winst naar waarde’. Het past ook goed bij mijn definitie van duurzame ontwikkeling. Die draait om een toename van bewustwording, van 2.0 ego-systeem bewustzijn naar 4.0 eco-systeem bewustzijn, zie ook mijn lectorale rede ‘Handen en voeten geven aan duurzaam organiseren ’. Waarschijnlijk ga ik het jaar 2060 niet meemaken, maar ik hoop dat ik tegen mijn (achter)kleinkinderen kan zeggen: Oma zat bij het verzet in de hete oorlog en dat heeft ook echt iets teweeggebracht.

 

Kom uit je luie stoel!

Marleen Janssen Groesbeek, lector Sustainable Finance and Accounting

 

Als we niets doen aan onze CO2-uitstoot in de komende jaren, dan gaat de gemiddelde temperatuur op aarde niet met 2 graden Celsius omhoog, maar misschien wel met 4 of zelfs met 6. Over hoe erg dat precies kan uitpakken, weet nog niemand. Er kunnen allerlei kettingreacties ontstaan die het leven op aarde aanzienlijk moeilijker maken. Wat we wel weten dat zelfs als we in staat zijn om op die grens van 2 graden Celsius opwarming te blijven, we extreme weersomstandigheden kunnen verwachten, zoals lange periodes van droogte of juist lange periodes van heel veel regen.

Het besef dat we wat aan de klimaatverandering moeten doen, is nu ook langzaam tot grote beleggers doorgedrongen. Dat bleek de afgelopen week tijdens grote conferentie over verantwoord en duurzaam beleggen in Londen. De vraag die daar gesteld werd was: zijn institutionele beleggers onderdeel van het probleem of onderdeel van de oplossing van klimaatverandering?

Institutionele beleggers zijn pensioenfondsen, vermogensbeheerders, verzekeringsmaatschappijen, beleggingsfondsen, banken, en andere partijen die miljoenen en miljarden beleggen van andere mensen. Mensen die graag een appeltje voor de dorst hebben of sparen voor hun pensioen of de studie van hun kinderen. Als we weten dat het leven op aarde niet meer zo leuk wordt als het klimaat drastisch verandert, dan zou het de plicht van die grote beleggers moeten zijn om te zorgen dat dat geld voor later goed belegd wordt. Zo goed dat we na 30 jaar niet alleen geld hebben, maar dat er ook nog een goede samenleving is waar dat geld betekenis heeft. Wat heb je aan 3000 euro in de maand, als je de hele zomer moet binnen zitten omdat het alleen maar regent en regent. En als brood, pasta en andere graanproducten onbetaalbaar zijn geworden omdat de landen waar dat graan vandaan moet komen, al maanden geen druppeltje regen gezien hebben.

Kortom, van institutionele beleggers mag verwacht worden dat ze anticiperen op dat soort risico’s en hun beleggingsbeleid aanpassen. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. De grote beleggers, waaronder de Nederlandse pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen, hebben miljarden belegd in fossiele brandstoffen, in olie- en gasbedrijven en in kolenmijnen. Kolenstook voor elektriciteitscentrales is populair, niet alleen in Nederland, maar ook in Azië. Kolen zijn goedkoop en als je ze uit ontwikkelingslanden haalt, dan zijn ze helemaal een koopje. Maar Polen en Duitsland sturen ook nog steeds mijnwerkers onder de grond. De productie van kolen wordt ook nog flink gesubsidieerd. De scheikundigen onder ons weten dat het verbranden van kolen aanzienlijk meer CO2 genereert dan bijvoorbeeld aardgas. En bruinkool, wat onze Oosterburen graag verbranden, genereert nog de meeste CO2.

We moeten onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen afbouwen. Dat is een feit. Onmiddellijk alle aandelen van kolenmijnen en oliemaatschappijen verkopen lijkt een logische keuze. Helaas als alle pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen dat in een keer doen, dan daalt niet alleen heel snel de prijs, wat weer ten koste gaat van andere pensioenspaarders, maar dan raken we ook onze invloed op die fossiele-brandstofproducenten kwijt en dat is geen goed idee als we ze tot ander gedrag willen aanzetten. Bovendien, we willen juist van de afhankelijkheid van bijvoorbeeld het Midden-Oosten af.

Institutionele beleggers spelen een heel belangrijke rol. Zij moeten in gesprek gaan met de bedrijven die hun bestaansrecht ontlenen aan het produceren van fossiele brandstoffen. Dat noemen we ‘investor engagement’. Beleggers moeten de sector overtuigen van de noodzaak van transitie van fossiele naar hernieuwbare energiebronnen.

Dat verkoop daarbij een stok achter de deur is, spreekt voor zich. Maar het is ook interessant om op aandeelhoudersvergaderingen het bestuur van bijvoorbeeld een olieproducent de decharge te onthouden als het niet hun investeringsbeleid aanpast. Decharge van bestuur wordt jaarlijks gegeven als de jaarcijfers zijn goedgekeurd. Door geen decharge te geven, geven aandeelhouders aan dat het bestuur zijn verantwoordelijkheden voor de onderneming niet goed hebben vervuld.

Wij als pensioenspaarders kunnen een belangrijke rol spelen in deze transitie door ons pensioenfonds te vertellen dat wij graag zien dat het de druk op fossiele-brandstofproducenten opvoeren. Wij als belastingbetalers moeten ophouden te stemmen voor parlementsleden die de kolenstook niet willen stoppen. De macht van de gewone burger om te zorgen voor een samenleving die goed is voor huidige en toekomstige generaties is veel groter dan hij of zij denkt. Dus kom uit je luie stoel en doe wat voor een gezonde oude dag.

Duurzaam beleid

Frans Stel, lector International Business

 

Nederland blijft achter bij andere landen wat betreft duurzaamheid. In vergelijking tot hoogontwikkelde landen als Duitsland, Finland of Zwitserland gebruiken we per hoofd van de bevolking meer fossiele brandstoffen en meer CO2. Hoe komt het dat deze landen duurzamer zijn dan Nederland?
Duitsland, Finland of Zwitserland presteren in internationaal opzicht uitstekend: uit het Word Competitive Report 2014 blijkt dat deze landen concurrerender zijn dan Nederland. Deze landen doen het dus qua economie én duurzaamheid beter dan Nederland. Hoe kan dat? Eén van de redenen ligt in meer duurzaam beleid. Omschakelen naar meer duurzame productie en consumptie gaat niet van de ene op de andere dag. Er is een mentaliteits- en gedragsverandering nodig bij iedereen: burgers, bedrijven én overheid. Dat bereik je door consistent beleid waarbij duurzaam gedrag blijvend beloond wordt en niet-duurzaam gedrag blijvend ontmoedigd (=duurder) gemaakt wordt. Duurzaam beleid is in Nederland ver te zoeken. Neem bij voorbeeld de subsidie op zonnepanelen. Zodra deze regeling een succes werd, werd ‘ie’ al weer snel afgeschaft. Te veel subsidie: te duur!
Onze oosterburen doen het anders: daar heeft de overheid zich vastgelegd dat de regelingen voor zonnepanelen vele jaren hetzelfde blijven. Daar prevaleert het langetermijnbelang boven de boekhouder. Ad hoc subsidies gericht op duurzaam gedrag zijn weggegooid geld omdat ze niet leiden tot blijvende gedragsverandering. Dergelijke subsidies kan je beter helemaal niet in het leven roepen.
Duurzame economische groei is mogelijk! Laten we kijken hoe Duitsland, Finland of Zwitserland het voor elkaar krijgen om economische prestaties te combineren met een meer duurzame economie. Laten we ons beleid ook duurzamer maken: meer gericht op langetermijn. Dit betekent duurzaam gedrag blijvend en meerjarig belonen en minder duurzaam gedrag permanent afremmen. Een consistent beleid waarbij kortdurende regelingen niet voorkomen en alle regelingen een gegarandeerde lange looptijd hebben.

 

 

Vele handen maken veel werk

Ton van Kollenburg, lector Improving Business

 

Verbeteren start met nadenken wat je wilt verbeteren en daar de goede keuzes in te maken. Voor mij betekende dat binnen Avans: in gesprekken met directies en docenten komen tot een goede invulling van mijn kenniskring. Uit die gesprekken bleek dat zes academies een bedrijfskunde-opleiding, of één die daar heel sterk op lijkt, hebben en ik vind het leuk dat elk van die opleidingen tenminste één docent aan mijn kenniskring levert. Laat me eerst de kenniskringleden even voorstellen dan vertel ik daarna wat we gaan doen.

Even voorstellen…

Allereerst neemt Jan Verhagen van AI&I deel. Jan heeft veel continu verbeterervaring en is, naast docent, ook coördinator van de minor continu verbeteren. Van de opleiding Technische Bedrijfskunde in Tilburg neemt Anco Dams deel aan de kenniskring. Anco brengt onder andere veel ervaring uit de praktijk mee. Van Bedrijfskunde MER in Den Bosch (AHB) nemen twee docenten deel aan de kenniskring: Minou Schreuder-Roijmans en Stephan Wouters. Minou is gepokt en gemazeld in het opzetten van onderzoek rondom economische vraagstukken en Stephan brengt veel ervaring mee op het gebied van “lean”. Zo schreef hij onder andere het zeer lezenswaardige boek “Het Macaroni-dilemma” over zorglogistiek. Bedrijfskunde MER uit Breda (AAFM) is vertegenwoordigd door Jun Swagemakers. Net als Stephan heeft ook Jun ervaring met zorglogistiek en lean, zowel in de praktijk als in het onderwijs. ASIS is vertegenwoordigd door Alinda Kokkinou. Alinda heeft een behoorlijke onderzoekservaring. Dat blijkt onder andere uit een duale promotie aan de Pennsylvania State University en diverse publicaties. En last but not least vertegenwoordigt Tom van Velzen (AVD) het deeltijdonderwijs. Naast onderwijservaring heeft Tom ook ruime ervaring in de zakelijke dienstverlening, zodat we, naast de industrie en de zorg, ook daar onze verbeterpijlen op kunnen richten.

Go west

Het is de bedoeling van de kenniskring om onderzoek te gaan doen en ervoor te zorgen dat de verworven kennis, onder andere in het onderwijs, tot uiting komt. Daarvoor volgen we, binnen Improving Business, vier onderzoeksrichtingen. Ten eerste vertrekken we, geheel in de geest van de lean-filosofie, naar het noorden: we gaan op zoek naar ons “true-north”. Daarvoor verdiepen we ons in de vraag met welke omgevingsontwikkelingen organisaties te maken hebben en hoe ze daar mee omgaan. Hieronder hoort ook de vraag thuis welke kennis en vaardigheden die organisaties in de toekomst nodig hebben? Vervolgens buigen we af naar het oosten van waaruit het continu verbeteren op ons af is gekomen. Hoe gaat dat (veelal Japanse) continu verbeteren bij ons, in Nederland? Wat gaat er goed, of juist niet? En wat kunnen we daar uit leren? Dan buigen we af naar het zuiden, waar de zon volop mogelijkheden geeft voor duurzame processen. Wij vragen ons af: hoe ziet zo’n duurzaam proces er dan uit en wat maakt het duurzaam? Tenslotte we “Go West”:

(Go west) To begin life new (Go west) This is what we’ll do
(Bron: The Village People)

In dat westen, dat overigens een eeuw geleden ook de bakermat vormde voor veel bedrijfskundige toepassingen, brengen wij de eerste drie richtingen samen tot nieuw praktisch inzicht over het realiseren van duurzame processen met continu verbeteren.

Samen

Als je goed wilt verbeteren, gaat dat ook over samen werken. Niet alleen in de kenniskring, maar samen met alle bedrijfskunde docenten en met de studenten. Dan maken vele handen licht en vooral VEEL werk.

Duurzame ontwikkeling: Van 2.0 ego-systeem naar 4.0 eco-systeem bewustzijn

 

Tonnie van der Zouwen, lector Sustainable Working and Organising

Afgelopen vrijdag 17 april 2015 heb ik mijn inaugurele gehouden als lector Sustainable Working and Organising aan Avans Hogeschool. Mooie ambtsketen gekregen. In ongeveer drie kwartier heb ik verteld wat mijn visie is op het lectoraat en wat mijn plannen zijn voor de komende jaren. De rede is een verkorte versie van het boekje ‘Handen en voeten geven aan duurzaam organiseren. Vanuit een groeiend bewustzijn hoe we willen leven’. Daarin vertel ik hoe je containerbegrippen zoals duurzaamheid, duurzame ontwikkeling en duurzaam organiseren kunt plaatsen in een groter kader. Onder het motto ‘Scientific understanding and practical experience are like two legs without we cannot walk‘ (Francisco Varela) komen daar de Logica van het Gevoel, het Ijsbergmodel en de Circles of Social Life als theoretisch kader naar voren. Mijn belangrijkste conclusie: Duurzaamheid gaat niet alleen over milieu of over Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, het gaat om groei in bewustzijn over hoe we willen leven. De uitwerking daarvan vindt u in het boekje, de pdf versie kunt u hier downloaden.

Duurzaam organiseren zie ik als co-creatie van een gewenste en haalbare toekomst. Dan moeten we wel een beeld hebben van hoe die toekomst eruit zou kunnen zien, om daarop te kunnen anticiperen. Het vraagt een transitie van 2.0 ego-systeem bewustzijn naar 3.0 belanghebbenden bewustzijn naar 4.0 eco-systeem bewustzijn. Otto Scharmer en Katrin Kaufer hebben in hun boek Leiden vanuit de Toekomst uitgewerkt wat dit betekent voor diverse sectoren.

De komende jaren wil ik samen met docenten, studenten en beroepenveld actieonderzoek gaan doen om bij te dragen aan die groei in bewustzijn. En om er handen en voeten aan te geven. Voor dit actieonderzoek wil ik de Large Scale Intervention aanpak gaan gebruiken. Hoe en waarvoor? Lees meer in het boekje. 

Duurzaamheid begint bij bewustwording

Nies Rijnders, manager Expertisecentrum Sustainable Business

Sinds een aantal weken vult ons huis zich met steeds meer van die kleine rechthoekige doosjes met een kartonnen omslag met daarin een bakje met zaadjes voor groenten en een tablet van kokosgruis. Afzender: Albert Heijn. De inhoud leent zich om zelf een mini- moestuintje te beginnen. Nu heeft deze supermarkt wel vaker acties om mij te verleiden daar boodschappen te gaan doen, maar meestal laat ik die voorbijgaan. De minimoestuintjes echter hebben mij toch getriggerd.

Eerlijk gezegd heb ik, of liever had ik, wel enige scepsis over eigen groenten kweken en mensen met een moestuin. Onze beste vrienden zie ik dagelijks met compost, harken, schoffels en nog veel meer voor mij onbekend gereedschap naar de moestuin togen om daar hun eigen groenten te kweken. Wij mogen soms delen in de oogst en dat is altijd erg smaakvol. Ik vind met name het gedoe in de periode voor en na de oogst een te grote belemmering om ook zelf hiermee aan de slag te gaan.

Ik raakte toch enthousiast door dit idee van Albert Heijn vanwege mijn kleindochter Sofie. Vorige week moest ik op haar passen. Zij is bijna 2 jaar oud, zeer actief en nieuwsgierig. Ik ben samen met haar begonnen om de doosjes uit te pakken, de kokostabletten met water tot potgrond om te toveren en de zaadjes te planten. Geweldige kliederboel, maar wel leuk voor haar! In de periode daarna kwam ze regelmatig water geven en op het moment dat er groene stengeltjes begonnen te verschijnen werd zij steeds enthousiaster. We gaan volgende week verpotten en hopen deze zomer daar toch zeker een paar keer lekker van te kunnen eten.

In diezelfde periode dat Sofie en ik zelfvoorzienend aan het worden waren, speelde het strafproces tegen Willy Selten, de vleeshandelaar die verdacht wordt van en inmiddels is veroordeeld voor het sjoemelen met vlees. Tegelijkertijd trekken varkens- en kippenboeren aan de bel bij het ministerie om te klagen over het feit dat zij niet meer antibiotica mogen geven aan hun fokdieren, waardoor er teveel overlijden. Natuurlijk is dat laatste niet het gevolg van te weinig antibiotica maar van het feit dat er teveel dieren op een vierkante meter staan. Steeds meer wordt duidelijk dat onze eetgewoontes steeds ongezonder worden. Meer fastfood, meer calorieën en alsmaar meer onbekendheid en onverschilligheid ten aanzien van waar ons eten vandaan komt en de wijze van productie. Ondanks de vele ‘light’ en groen aangeprezen eetproducten worden schoolkantines, ook die van Avans, nog steeds volgestapeld met kroketten, worstenbrood, pizza en andere ongelooflijk lekkere, maar toch echt wel heel ongezonde producten. In veel gevallen is het volstrekt onduidelijk wat we eten en hoe het gemaakt wordt.

De voorbeelden laten zien dat we tamelijk onverschillig aan het omspringen zijn met onszelf en onze planeet. People en planet gaan hier duidelijk ten koste van profit. Daarom is het initiatief van Albert Heijn zo’n mooi voorbeeld om te laten zien hoe het ook anders kan, te beginnen met de jeugd! Ik verwacht dat de minimoestuintjes een ommekeer gaan betekenen in ons eet- en leefpatroon. Straks worden onze etenswaren niet van ver ingevlogen vanuit onbekende herkomst, maar zijn ze gekoppeld aan het natuurlijke seizoen dichtbij huis geproduceerd. De kringloop wordt klein gehouden. Goed dus voor de planeet (minder transportkosten en dus CO2 uitstoot) en toch ook wel een beetje voor de portemonnee en de profit. Maar misschien nog wel het allerbelangrijkste: de bewustwording dat we zelf, ook al is het op kleine schaal iets kunnen en moeten doen met duurzaamheid. Dat begint bij bewustwording en ander gedrag en wie anders dan onze kinderen moeten we daarin meenemen. We voorkomen dat ze onverschillig worden ten aanzien van wat ze kopen en eten en dat ze denken dat komkommers door machines geproduceerd worden.

Ik hoop dat de actie van Appie een heel groot succes wordt en dat het een klein steentje bijdraagt en verdergaande bewustwording ten aanzien van de wijze waarop wij omgaan met onze planeet. Een eigen moestuin zal het voor mij wel niet gaan worden, maar gelukkig zijn er goede alternatieven die helpen om eenzelfde effect te realiseren.

 

Waarom de kip van morgen zich niet kiplekker voelt

Jorna Leenheer, lector New Marketing

Dat de kip op ons bord niet altijd een goed leven heeft gehad, daar hebben de meesten van ons wel besef van. Veel kippen uit de supermarkt woonden met heel veel soortgenoten in een kleine ruimte en kwamen nauwelijks buiten. Ernstige verwondingen aan hak en voetzool zijn gemeengoed en meer dan de helft heeft ernstige bewegingsproblemen door de hoge groeisnelheid. Een consument kan kiezen uit diervriendelijke alternatieven zoals de scharrelkip of de Beter Leven Kip die bijna in alle supermarkten worden aangeboden. Maar het marktaandeel is laag. Wakker Dier en de Dierenbescherming richten hun pijlen al jaren op de kippenindustrie, te meer omdat kip nogal eens tegen bodemprijzen wordt aangeboden – ook wel bekend als “kiloknallers”.

In 2013 namen supermarkten gezamenlijk het initiatief om minimum kwaliteitsafspraken te maken. De “plofkip” zou passé zijn, in de schappen zou enkel nog de “Kip van Morgen” prijken. Maar het initiatief ontving stevige kritiek van verschillende stakeholders. Dierbeschermers en politieke partijen oordeelden dat de verbeteringen van het dierenleven minimaal waren. De Kip van Morgen krijgt slechts 10 procent meer levensruimte, iets meer slaap, iets meer afleiding, een iets langer leven. Maar ook van de kant van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) werden er harde noten gekraakt. Want net als prijsafspraken verboden zijn vanwege kartelvorming, mogen ook kwaliteitsafspraken niet zo maar. Het zet namelijk kipaanbieders buiten de supermarktbranche (poeliers, slagers) buiten spel. Ook kan het consumenten duperen is de redenatie. Een deel van de consumenten heeft wellicht simpelweg een voorkeur voor de plofkip en voor arme gezinnen wordt het kopen van kip op deze manier wellicht onmogelijk gemaakt. Om een lang verhaal kort te maken: De Kip van Morgen verdween in de spreekwoordelijke prullenbak.

Maar wat weet en vindt de consument er eigenlijk zelf van? Als input voor de rechtszaak die de ACM had aangespannen tegen de supermarkten werd een conjoint-studie onder Nederlandse consumenten uitgevoerd. Daarbij maakten consumenten een groot aantal denkbeeldige keuzes tussen verschillende kippen(levens) tegen verschillende prijzen (“vignetten”). Daaruit bleek de consument ongeveer zes euro per 500 gram kipfilet extra willen betalen voor een diervriendelijker productiewijze. Vrouwen zijn meer dan mannen bereid te betalen voor dierenwelzijn, hetzelfde geldt voor hoogopgeleiden, bewoners van grote steden en eenpersoonshuishoudens. Interessante bevinding is verder dat consumenten het niet- volledig verdoofd slachten veruit het meest ongeoorloofd aspect van dierenleed vinden. Terwijl de Kip van Morgen juist daarin geen verbetering bewerkstelligde. Bovendien blijken consumenten meer vertrouwen te hebben in overheidsregulering van dierenwelzijn dan in vrije marktwerking.

Dat consumenten in de praktijk lang niet altijd voor diervriendelijke kip kiezen kan door een velerlei redenen komen (genoeg input voor een volgende blog!), informatieasymmetrie is er een van. Een scharrelkip heeft een beter leven heeft dan de gemiddelde kip, maar op welke aspecten en hoeveel beter dat is veel consumenten nog niet een-twee-drie duidelijk. Daarnaast zijn consumenten prijsgevoeliger dan ooit en daar doen de vele aanbiedingen geen goed aan. Een korte inventarisatie van de aanbiedingen leert me dat ik deze week voordelig een kilo kipdrumsticks koop bij de Plus (voor slechts €3,49) en plakjes kipfilet in de aanbieding zijn bij zowel de Albert Heijn (25% korting) en Jumbo (3 pakjes voor €5). Op het gebied van kip is er nog een duurzame wereld te winnen.

Een uitgebreide versie van het consumentenonderzoek verscheen als:

Sigourney Zomer, Tim Benning, Jorna Leenheer, & Machiel Mulder (2015). De Betalingsbereidheid van consumenten voor dierenwelzijn. Economisch Statistische Berichten. 100(4703), 84-87.

 

Hoe slim is uw fabriek?

Niet alleen op Strijp-S is de industriële activiteit verdwenen of staat deze onder druk. Het creëren van slimme fabrieken door automatisering wordt genoemd als maatregel om werkzaamheden in Nederland te behouden. De vraag is of bedrijven moeten automatiseren om op prijs te kunnen concurreren met Azië en Oost-Europa, zodat werkgelegenheid wordt behouden?

Automatisering moet

Bij het ontwerpen van nieuwe fabrieken en het aanpassen van bestaande, speelt automatisering een belangrijke rol. De eerste reden die hiervoor door betrokkenen wordt genoemd,  is de verlaging van de kosten om concurrerend te blijven. Daarnaast blijkt uit onderzoek van een multinational dat het personeelsbestand de komende jaren met dertig procent afneemt door vergrijzing. Dat leidt tot schaarste aan personeel, waardoor de gevraagde productievolumes  niet kunnen worden gerealiseerd. Automatisering moet dat voorkomen.

De derde reden om te automatiseren betreft het drastisch verkorten van de doorlooptijden in een supply chain. Zo kan het bouwen van een geïntegreerde procesautomatisering zorgen voor realtime sturing van procesparameters en kunnen gegevens centraal worden verzameld en via Process Analytical Tools (PAT) geanalyseerd. Die gegevens kunnen ook worden gebruikt om productiebatches inline vrij te geven. Dat wil zeggen dat de gebruikelijke vrijgave, op basis van keuring van het eindproduct, wordt vervangen door beoordeling van de gerealiseerde waarden van de procesparameters, zodat de vrijgave tegelijk met het produceren plaatsvindt.

Deze automatiseringsgolf krijgt steeds meer bekendheid als Smart Factory of Industry 4.0. Daarbij wordt niet alleen het productieproces geautomatiseerd. Ook de supply chain en de afhandeling van producten worden geautomatiseerd door het gebruik van bijvoorbeeld Automated Guided Vehicles (AGV’s), robots en geautomatiseerde magazijnen.

Moet automatisering?

Hoewel deze toenemende automatisering in veel organisaties wordt gezien als onontkoombaar, rijst bij mij toch de vraag of het voor een fabriek nu en in de toekomst noodzakelijk is om te automatiseren? Zo begeleidde ik zeven jaar geleden de opstart van een nieuwe, zeer moderne, keramische fabriek. Handwerk werd vervangen door geautomatiseerde systemen met onder andere robots en AGV’s. Aangezien de medewerkers gewend waren om de productie- en logistieke handelingen handmatig uit te voeren, bleek veel training noodzakelijk. De kenniskloof was echter zo groot dat de procesbeheersing onvoldoende bleef. Daardoor bleef de fabriek verlieslijdend en werd twee jaar later gesloten.

Ik ken enkele fabrieken die concurreren op kostprijs met zusterbedrijven in Azië. De filosofie bij deze bedrijven is niet om grote geautomatiseerde installaties aan te schaffen en te gebruiken. Integendeel, de productie is nauwelijks geautomatiseerd te noemen. Natuurlijk zijn er productielijnen met een PLC-besturing en heeft één van de bedrijven – als elektronicaproducent – wel de nodige meet- en regeltechniek toegepast in de volgens lean-principes ingerichte werkcellen. Zo wordt gewaarschuwd dat er iets fout gaat, bijvoorbeeld als niet de juiste component wordt gepakt bij de assemblage.

Automatisering is bij deze bedrijven echter niet de reden dat zij op kostprijs met hun Aziatische zusters kunnen concurreren. Zij zorgen dat ze lage arbeidskosten hebben door een strikte focus op het creëren van ‘first-time-right’ in hun productieprocessen. Dat betekent dat de producten in één keer goed gemaakt worden  en dat ze niet meer hersteld of gecontroleerd hoeven worden. Daardoor kunnen ze met veel minder mensen produceren dan hun zusterbedrijven en zijn ze zo rendabel dat ze zelfs extra werk binnen halen. Slimme fabrieken zijn dus niet noodzakelijk geautomatiseerde fabrieken, slimme fabrieken zijn vooral ook plaatsen waar slimme mensen werken.

 

De aanhoudende aandeelhouder wint

De afgelopen weken is er wat rumoer ontstaan rond het Amerikaanse farmaceutische bedrijf Mylan. Niet alleen is het bedrijf per 1 maart van nationaliteit veranderd voor een gunstiger belastingtarief, maar is het in opspraak geraakt omdat het als een van de weinig farmaceutische bedrijven geen actie onderneemt om te voorkomen dat zijn product gebruikt wordt voor de doodstraf. De actie en het gebrek aan actie plaatst Nederland voor een dilemma: vinden wij het goed dat bedrijven zich hier bewust vestigen om de belasting te ontduiken? En willen wij wel een onderneming in ons land dat meewerkt aan de doodstraf?

Sinds 1 maart is Mylan  een Nederlandse onderneming. Naar verluidt – het bedrijf wil daar zelf niets over zeggen – heeft de farmaceut de Nederlandse nationaliteit aangenomen voor het gunstige belastingklimaat. Mylan maakt en verkoopt een omstreden product, dat heet rocuronium bromide. Het is een spierverslapper en onderdeel van een medicijnencocktail die in de VS gebruikt wordt om de doodstraf uit te voeren.

Als Mylan het vestigingsklimaat in Nederland zo aangenaam vindt, zou het zich ook moeten conformeren aan allerlei andere zaken die Nederland zo’n beschaafd land maken. Bijvoorbeeld dat bij ons de doodstraf al sinds de 19e eeuw is afgeschaft en dat 60 procent van de Nederlandse bevolking “absoluut” tegen de doodstraf is.

Omdat Mylan nu een Nederlands bedrijf is, heeft de Nederlandse advocaat Bart Stapert een klacht ingediend bij het Nationaal Contact Punt (NCP) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Volgens Stapert is betrokkenheid bij uitvoering van de doodstraf een schending is van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en overtreedt Mylan als Nederlandse bedrijf dit verdrag.

Mylan heeft via een persbericht laten weten de spierverslappers niet rechtstreeks aan Amerikaanse gevangenissen te leveren. Ook zegt het bedrijf niet te weten dat zijn product voor dodelijke injecties zou worden doorverkocht. In deze tijd van verantwoord ketenbeheer is dat een zwak argument en niet echt geloofwaardig omdat de Britse mensenrechtenorganisatie Reprieve al in oktober vorig jaar aan de bel heeft getrokken over rocuronium bromide. Zeker als een onderneming genoteerd is aan effectenbeurs en aandeelhouders heeft die verantwoord beleggen hoog in het vaandel hebben staan, is gebrek aan  geloofwaardigheid en transparantie een bedrijfsrisico.

De Amerikaanse effectenbeurs Nasdaq, waaraan Mylan genoteerd is, is deelnemer van het Sustainable Stock Exchange Initiative (SSE). De Nederlandse institutionele beleggers als Robeco, ING, PGGM en APG hebben aandelen in het bedrijf. Gezien hun reputatie en beleggingsbeleid zullen zij Mylan wel moeten aanspreken op zijn gedrag. Niet alleen vanwege het oneigenlijk gebruik in de keten van de spierverslapper, maar ook waarom het hoofdkantoor van Mylan nu opeens in Nederland gevestigd is.

Met de vernieuwing van de richtlijnen voor multinationale ondernemingen van de Oeso heeft advocaat Stapert ook de mogelijkheid om de aandeelhouders en de banken van Mylan aan te klagen bij het NCP. Of de financiers dan ook een berisping zouden kunnen krijgen, hangt af van de mate waarin zij het farmaceutische bedrijf hebben aangesproken op zijn gebrek aan actie ter voorkoming van oneigenlijk gebruik van zijn spierverslapper. In het geval van de Nederlandse vermogensbeheerder APG en PGGM zou die kans klein zijn. Zij hebben beide actieve zogenoemde ‘engagement’-afdelingen die actief met de leiding van beursgenoteerde ondernemingen praten om te zorgen dat de bedrijven hun gedrag verbeteren. In jaarverslag Verantwoord Beleggen van APG staat een voorbeeld van hoe de vermogensbeheerder Ahold heeft aangesproken op het gebrek aan vakbondsvrijheid bij zijn vestigingen in de Verenigde Staten. Hoe engagement werkt legt het pensioenfonds PNO Media goed uit in zijn jaarverslag verantwoord beleggen.

Om pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen en vermogensbeheerder te laten zien dat we het belangrijk vinden dat er verantwoord wordt belegd en dat ze de engagement volhouden, is het van belang dat alle mensen die in Nederland sparen voor hun pensioen en andere zaken dat ook laten weten. Dus wil je dat je pensioenfonds of je verzekeringsmaatschappij niet meer in Mylan of andere ondernemingen die mensrechten of milieu schade aanbrengen, stuur ze een mail. Het is tenslotte je eigen geld en daar mag je zelf ook best verantwoordelijkheid voor nemen.

Marleen Janssen Groesbeek
Me.janssengroesbeek@avans.nl

Uitzending Nieuwsuur 3 maart 2015
http://www.npo.nl/nieuwsuur/03-03-2015/VPWON_1235706
Website mensenrechtenorganisatie Reprieve
http://www.reprieve.org.uk/press/2014_10_08_mylan_execution_risk/
Nationaal Contactpunt en Oeso-richtlijnen
http://www.oesorichtlijnen.nl/